Terug naar Ecclesianet.nl

Pinksteren in de cantates van Bach

Jaren geleden hoorde ik iemand in een preek zeggen: ‘Pinksteren is de kroon op de feesten van de kerk’. Dat lijkt in strijd met de waardering van dit feest, in de samenleving en in de kerken. Vergeleken met het Kerstfeest staat het Pinksterfeest in de schaduw. Dat zal er wel mee samenhangen dat er op Pinksteren het minst te zien en wellicht het meeste te horen valt, zoals dr. J. Koopmans in een van zijn postilleschetsen schreef. Bij Kerst hebben mensen de beelden op hun netvlies van een stal, een kribbe, een kindje, engelen, herders en wijzen. Op het eerste Pinksterfeest ontbreken de engelen. Mensen getuigen van Gods grote daden. Het Pinksterevangelie vertelt hoe een van de apostelen de Schriften opent en een preek houdt over de betekenis van Pasen. Jezus leeft en regeert door zijn Woord en Geest. Hij is het Licht der wereld. Maar zonder de Geest hebben we geen aansluiting aan het lichtnet.
De Heilige Geest vervult ons met de liefde van Christus, brengt tot getuigen en belijden, maakt vrijmoedig om voor Jezus uit te komen. Inderdaad, de kroon op de feesten van de kerk. Daar mogen we elkaar op aanspreken. Ik vind het daarom verheugend dat in toenemende mate op de eerste Pinksterdag de openbare belijdenis van het geloof plaats vindt. Een goede gelegenheid de geweldige betekenis van dit feest te onderstrepen.

Pinksterliederen
Pinksterliederen gaan ons daar vanouds in voor. Ik denk aan de beroemde hymne Veni, Creator, Spiritus (Kom, Schepper, Geest, zie voor een vertaling Gezang 237 LvK). Aan wie dit lied moet worden toegeschreven is niet met zekerheid te zeggen. Karel de Grote, Gregorius of Ambrosius worden als dichters van dit lied genoemd dat in de Middeleeuwen het Pinksterlied bij uitstek was. Het is een bede tot de Geest die zijn gaven zevenvoudig schenkt (zie Jesaja 11: 2), de vinger van God, door wie Christus de demonen uitdrijft (Lucas 11: 20), het vuur van de liefde dat harten doordringt en ons hart van liefde doet branden. Maarten Luther maakte er een prachtige bewerking van (zie Gezang 239 LvK). Ook in dit lied is sprake van de Geest en zijn zeven gaven die ons het Woord toevertrouwt en ons verstand verlicht. Dat Woord moet klinken in alle landen in de weerbarstige tijd vol vijandschap, de listen en lagen van de vijand bij uitstek, de boze.
Dit lied heeft van ouds in de reformatie zijn plek gekregen in de eredienst, naast die beide andere liederen van Luther: de herdichting van de oude hymne (11e of 12e eeuw) Veni, sancte spiritus (Kom, Heilige Geest, Here God, LvK, Gezang 240) en het indrukwekkende lied Nun bitten wir den Heiligen Geist (vert. LvK, Gezang 241). Wie de tekst van dit lied op zich laat inwerken, ziet hoe in de strofen 2, 3 en 4 het werk van de Geest in verband wordt gebracht met de trits: geloof, hoop en liefde. Dat deze liederen een vaste plaats hadden in de liturgie blijkt ook uit de kerkmuziek. Componisten als Scheidt, Pachelbel, Buxtehude en Bach, om enkele grote namen te noemen, schreven koraalbewerkingen over deze liederen.

Pinkstercantates
Wat de laatstgenoemde componist betreft, wijs ik op de cantates die Bach schreef voor het Pinksterfeest. Er zijn er negen bewaard gebleven, vier voor de eerste Pinksterdag, drie voor de tweede en twee voor de in die tijd in Duitsland gevierde derde Pinksterdag. De cantates voor de eerste Pinksterdag zijn getoonzet op de lezingen van het lutherse leesrooster. De evangelielezing was Handelingen 2:1-13, de geschiedenis van de uitstorting van de Heilige Geest, terwijl als epistellezing gelezen werd Johannes 14: 23 - 31, de belofte van Christus aangaande de Parakleet, de Voorspreker of, zoals de ons vertrouwde vertaling luidt: de Trooster. Een dergelijke cantate werd gezien als een vorm van muzikale vertolking van het evangelie. In drie van de vier cantates treffen we een toonzetting aan van vers 23: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen naar hem toekomen en bij hem intrek nemen.” (Herz. Statenvert.)
De cantates 59 en 74 beginnen zelfs met dit tekstwoord Wer mich liebet, der wird mein Wort halten. In cantate 59 kiest Bach de vorm van een duet tussen sopraan en bas, dat hij in cantate 74 uitwerkt in een groots openingskoor. In cantate 172 is het de bas die deze woorden van Jezus zingt. Bach was, zo blijkt uit de tekst van deze cantate, gegrepen door de belofte van de inwoning van de Vader en de Zoon in de harten van de gelovigen, de innige gemeenschap met Hem.

Erschallet, ihr Lieder
De cantate 172, Erschallet ihr Lieder, is daar een indrukwekkend voorbeeld van. Bach schreef deze cantate voor het Pinksterfeest van 1714, toen hij werkzaam was als organist en hofmusicus aan het hof de hertog van Saksen- Weimar, Wilhelm Ernst. In de slotkapel, de Himmelsburg, was er dagelijks een dienst en de hovelingen waren verplicht deze bij te wonen. Voor de zondagse eredienst schreef Bach een aantal cantates, waarvan er uit deze vroege periode zo’n twintig bewaard gebleven zijn, onder meer deze cantate voor de eerste Pinksterdag. In later jaren, toen hij werkzaam was als Thomascantor in Leipzig, voerde hij dezelfde cantate in enigszins gewijzigde vorm nog enkele keren uit.
De cantate draagt enerzijds een uitbundig karakter, maar treft je anderzijds door de innige toon, de mystieke toon van het verlangen. De tekst is, afgezien van het citaat uit Johannes 14, afkomstig van Salomon Franck, een Duits jurist en begaafd dichter die Bach regelmatig voorzag van teksten voor zijn cantates. De inzet vormt een feestelijk openingskoor Erschallet, ihr Lieder, erklinget ihr Saiten. Zang en muziek moeten de gelukzalige tijden vertolken nu God de zielen tot zijn tempel maakt, tot een woonplaats van de Heilige Geest. Drie groepen, namelijk een blazerskoor van drie trompetten, een versterkt strijkerskoor en een koor van zangers bezingen het Pinksterwonder. De drie groepen hebben hun eigen rol en vullen als in een samenspraak elkaar aan. Het getal drie als Goddelijk getal komt in deze cantate op velerlei wijze naar voren. Het blijkt bijvoorbeeld uit de driedelige maat en uit het feit dat dit openingskoor een driedelige vorm heeft: A-B-A. Bachs werken laten zien dat hij een scherp theologisch inzicht had. Op Pinksteren eren we de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Op het openingskoor volgt een door een bas gezongen recitatief. Het zijn de hierboven geciteerde woorden uit Johannes 14:23. In de composities van Bach – bijvoorbeeld in de Passionen – worden de woorden van Christus doorgaans gezongen door een bas. Gert Oost, schrijver van een mooi boek over de cantates van Bach, maakt de opmerking: “In dit recitatief geeft Bach zijn hele theologie, zijn hele visie op leven in klanken weer.” Aansluitend klinkt een basaria: “Heiligste Drie-eenheid, grote God der ere, kom toch en keer in de genadetijd bij ons in.” Ook dit deel wordt weer beheerst door het getal drie. Het is een lofzang – feestelijk begeleid door trompetten – en een gebed ineen. Een afdalende reeks tonen symboliseert de neerdaling van de Geest vanuit de hoge naar de aarde.
Dan volgt opnieuw een recitatief, een verhalend gedeelte, gezongen door een tenor. In de tekst klinken tal van reminiscenties aan de Bijbel. We worden herinnerd aan de schepping, aan de hof van Eden, aan de tuin, doorwaaid door de Noorden- en de Zuidenwind (vgl. Hooglied 4:16), aan de woorden over de Trooster. De Geest die bij de schepping blies is de Geest die herscheppend en vernieuwend werkzaam is. In het trio van violen, de tenorstem en de begeleidende bas gaat de wind als het ware op en neer.
Van grote schoonheid en intensiteit is het dan volgende duet van sopraan en alt. De ziel bezingt de liefde voor de verkwikkende liefde van de Geest. De gelovige bidt dat de Geest moge komen en de tuin van het hart moge doorwaaien. Het is een intiem stuk, waarin we iets horen van de unio mystica, de mystieke band tussen God en zijn kind: “Ik ben de uwe en jij bent de Mijne.” En in dit intieme stuk horen we dan een hobo (de hobo d’amore, de liefdehobo) die het koraal vertolkt Komm, Schöpfer, heil’ger Geist, Herre Gott.
De cantate wordt afgesloten met een koraal dat de vreugde van de gemeenschap van de bruidsgemeente met haar Heer bezingt. Het is de vierde strofe uit een lied van de lutherse predikant Philipp Nicolai (1556 - 1608), het beroemde kerklied Wie schön leuchtet der Morgenstern. In het Liedboek voor de kerken vinden we een vertaling van dit lied in Gezang 157. Ook dit lied staat in de mystieke traditie van de bruidsmystiek, waarin de tonen van Psalm 45 en Openbaring 19 hoorbaar zijn. Een lied dat uitzicht geeft op de bruiloft van het Lam in de hemelse heerlijkheid. In de vertaling van Schulte Nordholt luidt strofe vier als volgt:

Hoe liefelijk is uw gelaat;
als Gij uw ogen op mij slaat,
dan doet de vreugd mij beven,
Gij Jezus, zijt zo trouw en goed;
uw woord en geest, uw vlees en bloed,
zij zijn mijn ziel en leven.
Heer
des hemels,
laat, getrouwe,
mij aanschouwen
uw erbarmen.
Herder, neem mij in uw armen.

Zo is deze cantate een klinkend voorbeeld van de rijke betekenis van het heilsfeit van Pinksteren.

A. Noordegraaf, Ede