Terug naar Ecclesianet.nl

Bidden om Bedieningen

Enige tijd geleden verscheen van de hand van Drs. M.D. Geuze, emeritus-predikant te Nunspeet, een boekje, getiteld: “Help! Christus’ Gemeente is in nood. Bidden om de Bedieningen in de Gemeente”.
Het is een uitgave van het Huis van Gebed te Nunspeet, met een “Ten Geleide” van Prof. Dr. P.A. Siebesma, docent Oude Testament, Hebreeuws en godsdienstwetenschappen aan de Christelijke Hogeschool Ede en bijzonder hoogleraar aan de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee (België).1 Het telt een zevental hoofdstukken, waarin aandacht wordt gevraagd voor het gebed om apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars (vgl. Efeze 4 : 11), ouderlingen, diakenen en andere bedieningen2, en om het functioneren van de bedieningen.
Het pleidooi voor herstel van de in Efeze 4 genoemde bedieningen – een herstel, waarmee in onze tijd in Pinkstergemeenten en in charismatische groepen reeds een begin gemaakt is – stoelt op het inzicht, dat de gaven van de Geest en de bedieningen van Christus niet tot de eerste eeuw van onze jaartelling beperkt mogen worden, maar dat zij voor alle tijden bedoeld zijn. Weliswaar is de bediening van de apostelen, die in het Nieuwe Testament genoemd worden3 – althans het ambt van “de twaalven”, die oogen oorgetuigen van Jezus’ werk op aarde zijn geweest – volstrekt uniek4, maar de apostolische bediening hangt niet van de benaming “apostel” af. De eeuwen door zijn er gelovigen met apostolische gaven geweest. Zo is Willibrord bekend geworden als “de apostel der Nederlanden” en Ludwig Ingwer Nommensen (1834 - 1918) als “de apostel der Batakkers”, terwijl in onze tijd vooral de Amerikaanse zendeling Dr. C. Peter Wagner als apostel is opgetreden.

Als tweede bediening wordt ons door Paulus (niet alleen in Efeze 4, maar ook in I Corinthe 12 : 29) die van “profeet” genoemd. Bij het werkwoord “profeteren” moeten wij overigens niet denken aan “voorzeggen” of “de toekomst voorspellen”, maar aan openbaring en verkondiging van Godswege, Gods woord – voor- nu. De in het Nieuwe Testament genoemde profeten – bijvoorbeeld Agabus (Hand. 11 : 27 en 21 : 10), Judas en Silas (Hand. 15 : 32) – behoren met de apostelen tot het fundament, waarop Christus, naar het woord van Paulus (Efeze 2 : 20), zijn gemeente bouwt.

In de na-apostolische tijd echter komen wij de benaming “apostel” en profeet vrijwel niet meer tegen. Er werden geen nieuwe apostelen meer geroepen. Pas in de zestiende eeuw duikt het woord “apostel” weer op. Calvijn noemt Luther “een uitnemende apostel van Christus door wiens arbeid en dienst het allermeest in deze tijd de zuiverheid van het Evangelie werd hersteld.” Hij acht het mogelijk, dat God later, net als in de tijd van de Reformatie, weer apostelen zal doen opstaan, “naar de noodzakelijkheid van de tijden eist.”
Wat van de apostel geldt, geldt ook van de profeet 104 Ecclesia nr. 13 – juli 2011 en van de derde in Efeze 4 : 11 genoemde ‘bedienaar’: “de evangelist”. Ook zij, de evangelisten, verdwijnen in de na-apostolische tijd uit het gezichtsveld. In de gevestigde kerken althans hoort men hen niet meer noemen. Alleen daarbuíten komt men hen nog tegen, en wel profeten o.m. bij de Dopers in de zestiende eeuw, evangelisten vooral in de Pinkstergemeenten, die in de achttiende eeuw zijn ontstaan. Een ontwikkeling, die een beeld geeft van het verval van Christus’ gemeente.

Kanttekeningen
Naar aanleiding van het bovenstaande zou ik enkele opmerkingen willen maken:
De eerste opmerking geldt de kwalificaties “apostel” en “profeet”. In elk hoofdstuk van zijn boekje houdt de schrijver ons voor, dat het een zaak van geloof en gebed is de door hem besproken bedieningen te herkennen en te èrkennen, en wel allereerst die van apostel en profeet.
Nu was in Paulus’ dagen de Kerk nog ongedeeld. Dat is echter niet zo gebleven. Reeds in de tweede eeuw werd de eenheid ernstig verstoord door het Montanisme, terwijl in de vierde eeuw het Donatisme grote verdeeldheid teweeggebracht heeft. En in de eeuwen, die volgden, hebben er zóveel afscheidingen plaatsgevonden, dat het ten enenmale ondenkbaar werd, dat een apostel of profeet, in deze of gene kerk of sekte als zodanig “herkend”, algemeen èrkend zou worden.
Daar komt nog iets bij: in de loop der eeuwen is het herhaaldelijk voorgekomen, dat mensen op grond van een ‘openbaring’, die hun ten deel gevallen was, met hun ‘profetische’ uitspraken grote verwarring gesticht hebben, waardoor de kerk gedwongen werd zich van hen te distantiëren, te meer waar hun optreden niet zelden gepaard ging met excessen, die in tijden van vervolging er niet zelden de oorzaak van zijn geweest, dat talloze ‘gewone’ gelovigen hun leven met de dood hebben moeten bekopen. Alleen al met het oog híerop verdient het m.i. aanbeveling met zeer geladen kwalificaties als “profeet” en “apostel” – in de Bijbel gereserveerd voor een kleine schare geroepenen – uiterst behoedzaam om te gaan.
De aanduiding “apostel”, in de loop der eeuwen aan mensen als Willibrord, Luther en Nommensen gegeven, is overigens, zoals Geuze zelf aangeeft, een kwalificatie, die achteraf aan de betrokkenen is toegekend. Zelf zullen deze arbeiders in de wijngaard zich nooit zo genoemd hebben.

Wat de andere bedieningen betreft: reeds de titel van het boekje – niet minder dan een nóódkreet! – wekt de indruk, dat het hier momenteel slecht mee gesteld is. Maar is dit, zo vraag ik mij af, niet wat al te somber? Om te beginnen: het valt toch niet te ontkennen, dat zowel de herder en leraar als de ouderling en de diaken in de gevestigde kerken nog steeds volop functioneren. En dit geldt m.i. ook van de evangelist. Nog steeds worden er – God zij dank – keer op keer mensen bereid gevonden zich voor de evangelieverkondiging aan buitenkerkelijken en onkerkelijken in te zetten.
Met bedieningen als het doen van wonderen, het verrichten van genezingen en het spreken in tongen is het anders gesteld. Zij spelen in de gevestigde kerken geen rol, nadat men er de eeuwen door vrij algemeen van is uitgegaan, dat zij alleen voor de apostolische tijd gegeven waren. En wat ‘bedieningen’ als het onderling hulpbetoon en het bemoedigen van medegelovigen betreft vraag ik mij af, of hier wel van bedieningen gesproken kan worden. Uit verschillende apostolische brieven valt op te maken, dat het hier niet een specifieke taak voor deze of gene geldt, maar een opdracht die aan elke afzonderlijke gelovige gegeven wordt.
Al met al echter valt het niet te ontkennen, dat, zoals Siebesma in zijn “Ten Geleide” stelt, het in dit boekje aan de orde gestelde thema in de reformatorische traditie de eeuwen door niet de aandacht heeft gekregen, die het verdient. Alleen daarom al bevelen wij het van harte in de aandacht van onze lezers aan, te meer waar het, zoals wij dit van de schrijver gewend zijn, van een gedegen Schriftstudie en van een grote bewogenheid met het wel en wee van Christus’ gemeente getuigenis aflegt.

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Noten
1 Het boekje kost € 9,50 (inclusief portokosten) en is te verkrijgen bij “Huis van Gebed”, Brinkersweg 27, 8071 GR Nunspeet (www.huis van gebed.nl).

2 Bij deze andere bedieningen denkt hij o.m. aan bemoedigen, uitdelen, leidinggeven en betoon van barmhartigheid (Romeinen 12 : 8), aan het doen van wonderen, het verrichten van genezingen, het verlenen van hulp en het spreken in tongen (I Corinthe 12 : 28).

3 Behalve de twaalf apostelen, die door Jezus geroepen werden, worden er in het Nieuwe Testament nog andere apostelen genoemd, t.w. Barnabas (Hand. 14 : 4 en 14), Andronicus en Junias (Romeinen 16 : 7), Epafroditus (Fil. 2 : 25) en Jakobus, de broeder des Heren (Galaten 1 : 19). In I Korinthe 15 maakt Paulus onderscheid tussen “de twaalven” (vers 5) en “al de apostelen” (vers 7).

4 Dit geldt uiteraard ook van “de zeventig”, die, in het Nieuwe Testament níet als apostel gekenmerkt, door de kerkvaders Irenaeus en Tertullianus wèl zo genoemd worden.