Terug naar Ecclesianet.nl

Christus Koning

Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft.
1 Corinthiërs 15: 25.

Wanneer er in het Nieuwe Testament staat, dat Christus als koning moet heersen, om de heerschappijen, machten en krachten te onttronen, dan zal dat toch ook betekenen, dat de gemeente van Jezus Christus daarin door haar Heer gemobiliseerd wordt. Zij zal tegenover de demonische bedreigingen een geestelijke weerbaarheid in acht moeten nemen en tot een strijdende gemeente moeten worden.

In de allereerste plaats zal dat voor haar inhouden, dat zij nadrukkelijk stelling neemt tegen de bewuste of onbewuste messiaanse pretenties van de natuurwetenschap en de techniek. Nooit ofte nimmer kan de komst van het Godsrijk afhankelijk zijn van het kennen en kunnen van fysici en technici. De betekenis en waarde van de natuurwetenschappelijke ontwikkeling is maar betrekkelijk, ondergeschikt en beperkt. Er zijn waarachtig wel belangrijker dingen! Een ontnuchtering ten opzichte van de dwaas opgevoerde verwachtingen, die de mens aan de wetenschap en de techniek verbonden heeft, is een zaak van het grootste gewicht. Niets kan meer meewerken om het gevaar van de demonisering van de natuurwetenschap te keren, dan haar onttroning in het menselijk hart!

In de tweede plaats zal de christelijke gemeente ernaar moeten streven en ervoor moeten pleiten, dat de mogelijkheden en energieën, die door de wetenschap en techniek zijn vrijgekomen en nu ter beschikking staan van de mens, geestelijk geordend worden; dat zij ondergeschikt en onderworpen worden aan geestelijke en zedelijke beginselen en waarden. Zij zal er zich voor moeten inzetten, dat de technische vooruitgang gebruikt wordt in overeenstemming met de eisen van recht en gerechtigheid, van waarheid en liefde. Zij zal ertegen moeten protesteren, dat het technisch kunnen alleen maar wordt aangewend om de welvaartsgrens te verhogen en de welvaart op te voeren. De zin van het leven is niet genot, weelde en verzadiging van de steeds groeiende verlangens en begeerten. De zin van het menselijk bestaan is geloof, hoop en liefde. En wat baat het de mens zo hij de gehele wereld wint, en schade lijdt aan de ziel?

In de derde plaats zal de christelijke weerbaarheid tegenover al deze demonische bedreigingen van het moderne leven zeker ook met zich mee brengen een zekere onthouding en ascese. Niet dat de distantie, die de christen tegenover de luxe en rijkdommen, die als een onuitputtelijke stroom uit de hoorn des overvloeds van techniek en industrie voor ons uitgestort worden, in acht neemt, een veroordeling zou betekenen van het  goede van de schepping. Zij is echter wel zeer bepaald een daad, waarin zij er getuigenis van aflegt, dat de mens bij brood alleen niet leven zal, maar bij alle woord dat uit de mond van God uitgaat. Tegenover de vaak monsterachtige eenzijdigheid van de mens, die het goede van deze aarde inzwelgt en vergeet dat de mens geestelijk gericht is, stelt de christen een compenserende eenzijdigheid. De eenzijdigheid, waarmee hij tegenover de vermaterisalisering, het geestelijke en zedelijke leven accentueert.
De invloed die van zulke weerbare en gemobiliseerde christenen kan uitgaan, is niet te onderschatten. De druk van de geest des tijds mag groot zijn, toch kan de houding van enkelingen beslissend wezen.

Het koningschap van Christus, dat zich manifesteert in de geloofsbewuste christenen, is echter slechts een zwak facet van Zijn eigen regime. Het koningschap van Jezus is wezenlijk méér dan wat daarvan tot openbaring komt in menselijke moed, trouw en strijd. Hij is immers de Opgestane, die op de Paasmorgen alle demonieën verbroken heeft en de armzalige trawanten van de boze heerschappijen sidderend deed wegvluchten.
Met die goddelijke opstandingsmacht heerst Hij ook nu nog over de geschiedenis en waakt Hij over de komst van het Rijk. Uiteraard is dat hemelse regiment voor ons een verborgenheid. Maar het geloof, dat de opgestane Heer kent, weet dat revoluties, aardbevingen, oorlogen, sociale woelingen, cultuurverval en wat zich meer in de geschiedenis afspeelt, geen redeloze en grille toevalligheden zijn, maar de weeën die de komst van het Rijk begeleiden. In en door dat alles ploegt Christus de oude schepping om met diepe voren en zaait Hij het zaad van het Evangelie in de volkerenwereld. (Uit: De hemel is rood, blz. 87 - 89).

Dr. W. Aalders