Terug naar Ecclesianet.nl

Het persoonlijk getuigenis van Joseph Ratzinger voortgezet (I)

Het 'afscheidscollege' van Martin Hengel
In april 2007 bezocht ik in Tübingen een symposium dat gehouden werd ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van Martin Hengel. Dit symposium werd afgesloten met een indrukwekkende voordracht van de hoogleraar zelf over het thema ‘Heil und Geschichte’, heil en geschiedenis. De lezing die hij hield had iets van een afscheidscollege. Niet voor niets had Hengel dit thema gekozen. Zijn leven lang had hij zich ermee bezig gehouden. Hij markeerde er twee dingen: ‘Heil’: het heil is voor deze wereld te vinden in Christus. ‘Geschichte’: het heil wordt gevonden in de heilsgeschiedenis en het heeft betrekking op de wereldhistorie.
Hengel was theologie gaan studeren om predikant te worden. Tijdens de studie kwam hij in aanraking met de hyperkritiek van het moderne bijbelonderzoek. In plaats van zich van dit moderne bijbelonderzoek af te keren, zag hij kans zich haar eigen te maken en zelfs te benutten. Maar zijn historisch zintuig verbood hem om, zoals vele anderen wel deden, de hoofdwaarheden van het christelijke geloof te ontkennen. Integendeel. Hem bleek dat men in de kritiek was doorgeslagen en dat men de historische werkelijkheid vaak geweld aandeed. En zo was Hengel in staat om de standpunten van veel bijbelgeleerden (ondermeer Rudolf Bultmann) met groot gezag te weerspreken.
Voor Hengel werd gedurende zijn hele leven meer en meer duidelijk dat het heil in de historie, in Christus verschenen was. Dát was de boodschap van zijn laatste lezing. Indrukwekkend was daarbij het persoonlijke karakter ervan. Tussen de regels door kon de luisteraar horen dat wat hij te berde bracht, niet zomaar de taal was van een geleerde, het was de taal van iemand die diep dankbaar was dat hij de Waarheid en de zin van de geschiedenis, bij alle ordeloosheid en vragen die er kunnen zijn, gevonden had in Christus. De teneur van de lezing was dat door de bijbel de grote lijn van de geschiedenis duidelijk wordt. Deze vindt haar uiteindelijke doel in wat – zo onderstreepte hij – Melanchthon onder woorden had gebracht: de remissio peccatorum (vergeving van de zonden).
In de lezing legde Hengel en passant de nadruk op het belang van de apocalyptische gedeelten in de bijbel en op de Septuaginta. Hij stelde: In de apocalyptische boeken van het Oude Testament wordt niet alleen het “het ene ‘uitverkoren’ volk” in het oog gevat, maar “heel de mensheid.” “Vooral in de vorm van de ‘christelijke kanon’, de Septuaginta, inclusief de alleen door de kerk overgeleverde Joodse geschriften van ‘apocriefen en pseudepigrafen’ (Joodse geschriften uit de laatste eeuwen voor Chr. die naast de apocriefen bestaan, HK), neemt het Oude Testament ons mee tot heel dicht bij de tijd van Jezus en van de apostelen.” Vanuit Christus valt er licht over de hele mensheidsgeschiedenis tot het einde toe. “Deze lijnen, of – wellicht nog duidelijker: – richtingwijzende tradities streven in zekere zin naar hun vervulling, naar het centrum en komen als de stralen in een brandpunt van een lens samen.” Dit centrum is Christus.
Hengel eindigde zijn betoog met woorden waarin zijn persoonlijk geloofsgetuigenis hoorbaar werd: “Gods werken en spreken in het Oude Testament wordt vanuit het gezichtspunt van deze ‘geschiedenis van Jezus Christus’ belicht. Door haar bereiken zij hun vervulling, doel en einde, en de nieuwbeginnende geschiedenis van de Kerk als ‘het godsvolk uit Joden en heidenen’ (daarbij ingesloten onze heel persoonlijke ‘geloofsgeschiedenis’) ontvangt vanuit deze geschiedenis van Christus haar grond, haar richting en haar toekomst. Het is de bedoeling dat ook onze levensgeschiedenis bij ons levenseinde tot vervulling komt in het troostwoord van de apostel Paulus ‘en wij zullen altijd met de Heer zijn.’ Deze zekerheid maakt ons dankbaar en hoopvol, want zij geeft ons moed en vertrouwen voor onze theologische arbeid en het dienen in de liefde als opgave in de geschiedenis in deze onze wereld, vandaag en morgen.”

Een taakbepaling voor de toekomst   
Hengel eindigde zijn betoog met een impliciete oproep aan en taakbepaling voor zijn leerlingen: “Wat wij nodig hebben is de bedachtzame, bezonnen terugkeer en inkeer in deze door het profetisch getuigenis in het Oude Testament voorbereide en door de apostelen betuigde ‘geschiedenis van Jezus Christus’, als het midden van de Schrift, die tegelijkertijd het centrum van de wereldgeschiedenis is. Het mag dan zijn dat er ook vandaag, in een postmodern pluralisme, weer opnieuw ‘veel goden en heren’ zijn, toch

     is voor ons maar de éne God, de Vader,
     uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn,
     en één Here, Jezus Christus,
     door wie alle dingen zijn,
     en wij door Hem.
  

Het is zaak dat deze belijdenis van Paulus, waar het gaat over Vader en Zoon, waarin naar het christelijke verstaan de drie-enige God als Schepper, Heer der geschiedenis en Verlosser aangesproken wordt, en achter welke het shema Jisrael van Deuteronomium 6: 4 staat, de weg van de kerk en van de theologie in het derde millennium zal begeleiden.”  

Een nieuw boek van een generatiegenoot - Benedictus' deel 2 over Jezus van Nazareth
Dit was in 2007. Nu, in 2011 is een boek verschenen van een andere Duitser, die de 80 gepasseerd is, paus Benedictus XVI. Hij schreef in de afgelopen jaren het tweede deel Jezus van Nazareth. Het boek gaat over het tweede gedeelte van de Evangeliën: van de intocht in Jeruzalem tot de Hemelvaart en de uitzending van de discipelen en het uitzicht dat aan de kerk geboden wordt.
Het boek voldoet geheel aan de oproep die Martin Hengel in 2007 aan zijn gehoor deed. Daar komt bij dat het, evenals de voordracht van Martin Hengel, een getuigend karakter draagt. Het is een boek van een geleerde, die met grote eerbied de Schrift benadert en die daarbij gebruik maakt van de meest recente ontwikkelingen in het bijbelonderzoek. Daarbij is het een boek waarin men proeft dat de schrijver zich bewust is van zijn verantwoordelijkheid tegenover de wereld en vooral tegenover God. Dat maakt dat de lezer merkt dat de auteur een boodschap mee wil geven aan de wereld, de boodschap van het Nieuwe Testament.

Voor ik het boek kort bespreek, wil ik eerst een vraag opwerpen. Hoe heeft deze toch oude auteur kans gezien om naast het vele werk waar zijn dagen mee gevuld zijn een zo fundamenteel boek te schrijven als hij gedaan heeft? Dat hij meer dan een volle dagtaak heeft, moge duidelijk zijn. Het frappante is dat dit in dit boek nergens te merken valt. Het tegendeel is veel eerder het geval: het boek ademt een sfeer van ingetogenheid, van rust. Het is alsof men een atelier inloopt van een houtbewerker die alle tijd neemt om een kunststuk te maken, iets wat voor zijn concentratie een eerste vereiste is. Ik vermoed dat het samenhangt met drie dingen.
Allereerst lijkt het erop dat de schrijver niet liever doet dan onderwijzen. Dat blijkt ondermeer uit de audiënties die hij geeft, elke week weer voor een breed publiek. Hij grijpt de gelegenheid aan om dingen uit de Bijbel of kerkgeschiedenis uit te leggen. Daar ligt zijn kracht: leren, uitleg geven, uiteenzetten, voor ogen stellen. Het schrijven zal voor hem een vreugde geweest zijn, en een afleiding van al het andere waar hij aandacht aan moet geven.
Daar komt bij dat hij gedreven is. Hij wil niet liever dan de boodschap van het Woord van God doorgeven aan een breed publiek, een publiek dat in Europa nauwelijks meer bekend is met het Evangelie. De reden voor de onbekendheid ligt voor een deel in bevooroordeeldheid. De kerk is iets van gisteren, voor achtergebleven lieden. Die gedachte wil Benedictus XVI doorbreken. Hij wil zijn positie en zijn gaven benutten om te laten zien dat zeer geleerde mensen – zoals hij – diep gelovig zijn en dat met redenen. Hij wil laten zien dat zij niet ‘van gisteren’ zijn in de zin dat ze hun ogen sluiten voor datgene wat de wetenschap naar voren brengt en voorbij willen gaan aan de vragen van de moderne tijd.
Daar komt nog iets bij. De paus werd in de afgelopen jaren ook door anderen – ook door protestanten/ lutherse theologen gestimuleerd om zijn tweede deel te schrijven. Daar heeft hij kracht uit geput. Dat brengt me opnieuw bij Martin Hengel. In het woord vooraf schrijft de paus namelijk het volgende: “Het was voor mij een waardevolle bemoediging, dat grote meesters op het gebied van de exegese, zoals de inmiddels helaas heengegane Martin Hengel, alsook Peter Stuhlmacher en Franz Mussner, mij er nadrukkelijk in versterkt hebben, om mijn poging voort te zetten en het begonnen werk tot een einde te brengen. Zonder zich met alle details van mijn boek te identificeren, beschouwden zij het boek zowel qua inhoud als qua methode een belangrijke bijdrage, dat volledig tot stand zou moeten komen.” 

Castel Gandolfo in de zomer - 2 lutherse geleerden
Deze stimulans moeten de geleerden Hengel en Stuhlmacher in de nazomer van 2009 de paus gegeven hebben. Toen waren zij nl. een week te gast in het buitenverblijf van de paus, niet ver van Rome, in het Albigebergte, in Castel Gandolfo. Zij waren er op uitnodiging van de paus. Deze heeft de gewoonte om elk jaar als hij in het kasteel verblijft geleerden uit te nodigen om hen voordrachten te laten houden voor de beste leerlingen die hij tijdens zijn professoraat gekend heeft en met wie hij gedurende zijn leven bevriend is geworden. Na afloop van de lezingen is er een open geprek van de aanwezigen over de voorgedragen stof. Van de lezingen die Hengel en Stuhlmacher gehouden hebben en van de gesprekken die daarna volgden, is bij Mohr Siebeck een boekje uitgekomen (Gespräch über Jesus, Tübingen 2010). Tijdens een bezoek aan mevrouw Hengel liet ze mijn vrouw en mij foto’s zien van de dagen dat zij en haar man in het kasteel doorbrachten en van de zaal waar de lezingen gehouden werden. Zij vertelde hoezeer haar man en Peter Stuhlmacher de ontvangst en het verblijf op prijs hebben gesteld – en dat als overtuigde evangelischlutherse theologen. Ongetwijfeld duidt de paus in het woord vooraf van zijn tweede boek op deze ontmoetingen.  

Het boek zelf
Nu iets over het boek van de paus zelf. Het begint met de intocht in Jeruzalem en het volgt Christus’ weg naar kruis en opstanding op de voet. Daarbij komen het Hogepriesterlijk gebed, de inzetting van het Heilig Avondmaal, Gethsemane, het proces voor de Hoge Raad en voor Pilatus en de kruisiging aan de orde. Een apart hoofdstuk gaat over de zeven kruiswoorden. Heel fraai wordt geschreven over de dag van de opstanding en wat het betekent dat Christus lichamelijk is opgestaan. Daarna schrijft hij over de veertig dagen na Pasen, over de teksten in de brieven, die een belijdeniskarakter hebben en die heel kort samenvatten wat de eerste christelijke gemeente geloofde. In de laatste hoofdstukken gaat het over de Hemelvaart en over de weg en het uitzicht van de kerk.
Een van de sterke punten in het boek is dat de schrijver steeds historie en het getuigenis van de Schrift met elkaar in verband brengt. Uitdrukkelijk kiest hij voor deze ‘methode’. Hij vindt deze weerspiegeld in het Nieuwe Testament. Ook voor de eerste christenen ging de betekenis van het kruis en de opstanding in het licht van de Schriften open. En toch waren het de kruisiging en de opstanding die de betekenis van de Schrift aan het licht brachten! Wie immers uit de discipelkring had ooit gedacht dat de Messias die men verwachtte, zou sterven aan het kruis? Wie had ooit gerekend met een opstanding binnen het raam van de tijd, waardoor de tijd zelf als het ware opengebroken werd en er een nieuwe geboorte mogelijk werd? Pas in het licht van wat op Golgotha en in de hof van Jozef van Arimathea gebeurde, ging de Schrift als nieuw spreken en bleek ze tot grote verrassing van de discipelen daadwerkelijk heen te wijzen naar wat zij voor hun ogen hadden zien gebeuren!
De weg van de Emmaüsgangers is de weg van de eerste christelijke gemeente geweest. Een nieuw geloofsverstaan werd geboren, met als centrum (in het licht dus van het O.T.) het kruis en de opstanding. Dit nieuwe Schriftverstaan vormde de grondslag van de verkondiging van de apostelen. Het boek van paus Benedictus sluit hierbij aan. En ook daarin gaan verrassende vergezichten open. In het volgende nummer geef ik daar graag iets van door.

H. Klink, Hoornaar