Terug naar Ecclesianet.nl

Radicale democratie

Destijds beweerde de Amerikaanse socioloog, politicoloog en filosoof Francis Fukuyama dat als opeenvolging van feitelijke gebeurtenissen de geschiedenis weliswaar niet voorbij is, maar met de victorie van de markteconomie en de democratie in de hoofden en in de harten van alle volken ter wereld, leek ze wel haar filosofische en ideologische einddoel te hebben bereikt. Er heerste een stemming van antitotalitair denken, na het ineenstorten van ‘de Muur’ toen het communisme op zijn eind liep.
Dit antitotalitaire denken heeft niet lang geduurd. Vandaag de dag is de radicale politiek terug van weggeweest, ideologisch sterker en wijder verbreid dan ooit, bevrijd en verlost als ze is van de last van het reëel bestaande socialisme. Voor de onderdrukking, sociale ellende, dreiging en misdaden, die met dat reële socialisme samenhingen, hoeft de radicale politiek zich niet meer te verantwoorden. Zo komt het dat zij elke partij ten onzent doordrenkt heeft.
Maar wat is ‘radicale politiek’? Om die vraag te beantwoorden, leidt de filosoof Alain Finkelkraut ons terug naar Jean-Jacques Rousseau (1712 – 1778), de uitvinder van die politiek. Hierdoor maakte Rousseau het optreden van Robespierre1 mogelijk. Rousseau gaf met zijn theorie over de natuurlijke goedheid van de mens de genadeklap aan de christelijk-theologische opvatting van de erfzonde.
Om deze opvatting te verduidelijken laten wij ons leiden door de uitspraak van de apostel Paulus, die wij vinden in Romeinen 5: 12 die heel de structuur van zijn zonde - en verlossingsleer omvat: Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld is ingegaan, en door de zonde de dood, en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan, daarom omdat allen zondigden.
De bedoeling van deze uitspraak is duidelijk, wanneer het hele verband van Romeinen 5 in aanmerking genomen wordt: te weten één mens heeft de zonde toegang verschaft in de wereld, hij heeft als het ware de poort van de wereld voor de zonde opengezet. Zo is de zonde binnengegaan, hier voorgesteld als een gepersonifieerde macht (Romeinen 5: 21). Van de zonde is de dood een onafscheidelijke volgeling en metgezel. Hij heeft door haar zijn intrede gedaan.

De laatste woorden van vers 12 geven een nadere verklaring hoe het komt, dat door één mens de dood tot alle mensen is doorgegaan en heeft kunnen doorgaan. Dit gebeurde, doordat “allen zondigden” namelijk vanwege hun verbondenheid met de éne mens; daarom was Adams zonde de zonde van allen en kan in die zin van hen gelden, dat zij allen zondigden. Deze eenheid met en in ‘de ene’ is de beheersende gedachte van deze perikoop en het is daarin, dat Paulus de typische betekenis van Adam ten opzichte van de Komende aanwijst. Deze Komende is Christus, door wiens gehoorzaamheid velen gerechtvaardigd worden, gelijk zij door de ongehoorzaamheid van Adam tot zondaren waren gesteld (vers 19), dat dus tussen die twee déze betrekking is, dat Adam ons in zijn ondergang betrokken en met zich verdorven heeft, maar dat Christus ons door zijn genade tot de zaligheid heeft teruggebracht (Romeinen 5: 19 - 21).

Tegenover dit getuigenis van de Apostel stelde Rousseau wat ‘de oermisdaad’ zou genoemd kunnen worden. En die oermisdaad bestaat uit het probleem van onderdrukking. En onderdrukking is de bron van alle menselijke onvolmaaktheid, leed en rampzaligheid. Wanneer de bron van het kwaad echter in de geschiedenis en in de maatschappij en dus niet in de menselijke natuur moet worden gezocht, kan deze ook met politieke middelen bestreden en uiteindelijk verslagen worden. Wat door kwalijke geschiedenis is voortgebracht, kan door de geschiedenis zelf ook weer worden hersteld. Bij Rousseau gaan voor de eerste keer in de geschiedenis politieke ideeën hand in hand met een Messiaans, radicaal einddoel: de verandering van de menselijke situatie, de oplossing van het menselijke probleem. Met Rousseau treden wij het tijdperk binnen, waarin de politiek als oplossing wordt aangedragen.

Marx (Dr. W. Banning, Karl Marx, Leven, Leer en Betekenis, Utrecht 1962) voegt aan deze ontdekking reductie toe, zodat de geschiedenis een betekenisvol en onontkoombaar proces wordt, waarvan het uiteindelijke doel ligt in de afschaffing van de uitbuiting van de mens door de mens. Wat in de klassieke opvatting onophefbare spanningen binnen het menselijke leven waren, wordt na Rousseau en met Marx een reeks tijdelijke en voorbijgaande tegenstrijdigheden in het historisch proces. Spanningen worden tegenstrijdigheden: dat is het grote verschil. Er is geen kloof meer tussen rede en werkelijkheid, geen onderscheid meer tussen wetenschappelijke wetmatigheden en morele wetten, geen spanning meer tussen vrijheid en noodzaak. Alle verschillen zijn opgeheven.
In de jaren zeventig van de vorige eeuw waren er schrijvers, dichters en denkers in de voormalige Sovjet- Unie, die ‘dissidenten’ werden genoemd. Tot hen behoorde Solzjenitsyn met zijn boek De Goelag Archipel (Uitg. De Boekerij, Baarn 1974), een boek dat handelt over het ultieme kwaad, over een hel op aarde. In dat boek geeft Solzjenitsyn aan de menselijke natuur terug, wat men sinds Rousseau uitsluitend als een historische en sociale realiteit was gaan zien. Op een bepaalde manier zou je kunnen zeggen, dat Solzjenitsyn tegen de loop van de geschiedenis van het denken ingaat; dat hij van de gedachte van de misdaad (de onderdrukking) opnieuw terugkeerde naar de gedachte van de erfzonde als de theologische verklaring van de menselijke eindigheid in elk opzicht. In de Siberische concentratiekampen, in de ultieme plaats van het kwaad, komt hij tot het inzicht dat het totalitarisme niet het fiasco is van de menselijke droom van goedheid en geluk, maar integendeel: het resultaat ervan. Het totalitair systeem dus niet als een ontsporing van het bezig zijn van sommigen, maar als resultaat van het streven naar geluk voor de mensheid. Immers juist de gedachte dat het kwaad niet in de menselijke natuur zelf huist, maar in bepaalde, identificeerbare, boosaardige lieden, vormt de grondslag voor de radicale politiek, en de Goelag is het resultaat ervan. Wie de Goelag wil vermijden, moet de illusie prijsgeven, dat kwaad als een historisch element zich beperkt tot bepaalde instituties of individuen in wie het wordt belichaamd.

Deze les van de dissidenten is nu vergeten, want de nederlaag van het communisme betekent niet, dat de overtuiging van de dissidenten overwonnen heeft. Ook het christendom, in West-Europa althans, is in die nederlaag meegenomen.

Intussen heeft het herstel van de democratie in het Oosten als een tegenhanger van het totalitarisme er niet toe geleid, dat daar én in het Westen de aspiratie naar de schepping van een andere maatschappij, van een andere wereld, wordt opgegeven. Het tegendeel is het geval. De geest van het radicalisme ofwel van de radicale politiek is doorgedrongen binnen het alom klinkende pleidooi voor de democratie zelf. Zo is het motto van de radicalen, dat in een democratie alles democratisch moet zijn. Alles moet worden opgenomen in de beweging van vrijheid en gelijkheid. Het gevolg daarvan is, dat wij niet meer elkaars medeschepselen zijn.

Het feit nu, dat wij allemaal gelijk zijn, betekent dat ongelijkheid en uitzondering worden uitgesloten. Alexis de Tocqueville (1805 -1859) noemt dit ‘de generalisatie van het gelijksoortige’. Zo mag tussen volwassenen en kinderen, tussen docenten en leerlingen, tussen mannen en vrouwen, tussen openbaar en confessioneel onderwijs, tussen Kerk en moskee geen enkel onderscheid worden gemaakt. Elk verschil verdwijnt; grenzen verliezen hun betekenis. Slechts één grens blijft over. Dat is die grens, die nieuwe grens, die de radicale democratie stelt. Als dus markering van verschil onmogelijk wordt gemaakt, als begrenzing als ongewenste grens wordt beschouwd, dan is de conclusie duidelijk: Turkije bijv. moet Europees worden. En zo besluit Alain Finkelkraut: “Europa is geen substantie meer, die onderscheiden kan worden van andere substanties. Het vormt niet een specifieke beschaving, geen cultureel erfgoed. Europa is slechts een democratisch proces. Culturele gronden wijken voor absolute gelijkheid.”

Daar is ook nog de absolute vrijheid. De radicale democraat streeft naar de vrijheid tot het onbegrensd plegen van abortus, van euthanasie, tot het lichtvaardig verbreken van het huwelijk. Dit alles dus zonder enige belemmering van een wet. Als er echter van wetten sprake is, dan is daar de gedachte, dat deze met de daarin vervatte idee van autoriteit, traditie en heteronomie, niet meer zouden mogen worden opgelegd. De democratische wet zou volgens de radicalen van binnenuit moeten komen, als een autonome beslissing. Zo komt er geen einde aan wat tegenwoordig ‘regelgeving’ heet, dat wil zeggen: geen einde aan de dweperij van alles te brengen onder de radicaal-democratische controle.

Maar zelfs ook in een wereld, die van alle vormen van traditie en transcendentie ontdaan is, blijft het ‘gegeven woord’ heteronoom vanwege de belofte, die men eens gedaan heeft. Wil radicale democratie niet eindigen in totalitarisme, dan dient zij zichzelf ongedaan te maken, zo zij daartoe ooit in staat is. Immers: zij heeft zich onderworpen aan zichzelf; zij is haar eigen noodlot.

Wat nu is in dier voege een rechtstaat?

H. Smits, Bedum  

Noot 1: M.M.J. Robespierre (1758 – 1794), een van de leiders van de Franse revolutie, die tijdens het Schrikbewind als zeer gevreesd dictator