Terug naar Ecclesianet.nl

Conservatieve denkers ( I)

Onder de paradoxaal klinkende titel “Conservatieve vooruitgang” verscheen vorig jaar een boek over een twintigtal belangrijke Europese en Amerikaanse denkers van de twintigste eeuw, die bij alle onderlinge verschillen, ook in levensbeschouwelijk opzicht, één ding gemeen hadden/hebben, namelijk een conservatieve denkwijze. Aan drie Nederlanders wordt in dit boek aandacht gegeven en omdat één van deze drie dr. W. Aalders is, is dit artikel aan hem en aan dit onderwerp gewijd.

Wat is “conservatisme”?
Over het begrip conservatisme bestaat nog altijd veel verwarring. Soms wordt een conservatief beschouwd als iemand die tegen alle verandering is, of terug wil in de tijd. Conservatief zou het tegenovergestelde zijn van progressief. Dit is echter een misvatting. De term staat niet tegenover progressief, maar tegenover revolutionair, aldus de redacteuren van het bovengenoemde boek in een “ten geleide”. Het conservatisme is allereerst een keuze voor een bepaalde methode van voortgaan in de tijd (van progressie): stapje voor stapje, niet met grote sprongen. Met andere woorden: geleidelijke, géén abrupte of radicale veranderingen.
Toch gaat het niet alleen om een bepaalde wijze van verandering, maar ook om de inhoud. Conservatieven kijken kritisch naar de grote ontwikkeling van de laatste eeuwen: de overgang van de premoderne naar de moderne tijd. Met de doorbraak van de moderne tijd, gesymboliseerd door de Franse Revolutie, maakte de aristocratische samenleving plaats voor een democratische, vond een verschuiving plaats van platteland naar grote stad, en werden de agrarische economie en ambachtelijke productie verdrongen door de industrie. De statische maatschappij werd dynamisch, het individu maakte zich vrij van zijn omgeving, van zijn afkomst, zelfs van zijn geschiedenis.
Liberalisme en socialisme kwamen op, twee politieke ideologieën die vrijheid, respectievelijk gelijkheid tot hoogste waarden verheffen. Zowel liberalen als socialisten, hoe verschillend ook, hebben als voornaamste uitgangspunt dat voor het bereiken van een goede maatschappij een goed politiek systeem voldoende is. Hun oplossingen zijn gericht op de samenleving, niet op de mens zelf. Hierin verschilt hun zienswijze fundamenteel met die van conservatieve denkers. Zíj leggen juist de nadruk op het innerlijke leven als test voor een gezonde maatschappij. De essentie van het leven kan nooit radicaal veranderen. Daarom hebben conservatieven ook een andere, meer respectvolle kijk op vroegere tradities en gebruiken. Voor liberalen en socialisten zijn deze van weinig of geen waarde meer. Maar volgens de conservatieve opvatting waren de premoderne tradities gericht op (en geschapen door) in wezen dezelfde mens. Al is de materiële situatie voor verreweg de meeste mensen enorm veel verbeterd, dit wil nog niet zeggen dat zij er in immaterieel opzicht fundamenteel beter aan toe zijn. In tegenstelling tot liberalen en socialisten, die een optimistisch mensbeeld hebben, zijn conservatieven overtuigd van de beperktheid van de mens. De les van het verleden met zijn talloze menselijke mislukkingen maakt hen sceptisch ten aanzien van radicale hervormingsplannen. De waarden van vrijheid en gelijkheid vinden zij zeker niet onbelangrijk, maar onvoldoende als het gaat om de wezenlijke vragen van het politieke en maatschappelijke leven. Veel nadruk leggen zij op de verantwoordelijkheid van de mens. De staat, die gelijkheid en de markt, die vrijheid moet brengen, dienen te worden aangevuld met cultuur. Daartoe behoren bijvoorbeeld ook zorg en verantwoordelijkheid voor de naaste omgeving, behoud van de menselijke maat in de (op grootschaligheid gerichte) geïndustrialiseerde samenleving, alsmede bescherming van het milieu.
Binnen het conservatisme is een drietal deelstromingen te onderscheiden. Het sceptisch conservatisme is huiverig voor snelle hervormingen en afkerig van utopische en ideologische veranderingswoede, vooral als die van overheidswege wordt gestuurd. Een andere stroming, het classicistisch conservatisme, richt de aandacht op het waarden- en moraalsysteem van de klassieke en christelijke denkers. Zij stelt de deugdenleer en/of het natuurrecht centraal, wijst op het belang van het gezag voor het functioneren van een samenleving, en pleit voor een universele moraal. De derde stroming, het romantisch conservatisme, legt de nadruk op het natuurlijke levensritme vóór de industrialisatie, op kleinschaligheid en het platteland. Voor déze conservatieven is de “nostalgie”, het terugverlangen naar een verloren thuis en het daarmee samenhangende gevoel van ontheemding, kenmerkend voor de gemoedstoestand van mensen in de moderne tijd.

Gemêleerd gezelschap
De conservatieve denkers van de twintigste eeuw vormen een gemêleerd gezelschap: filosofen, historici, economen, een veelzijdig publicist als C.S. Lewis en een dichter als T.S. Eliot. Sommigen waren voornamelijk actief in de academische wereld, anderen ijverden ook voor de toepassing van hun ideeën. Nicolai Hartmann (1882-1950), die vanaf 1931 tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in Berlijn de prestigieuze leerstoel in de filosofie bezette, hield zich ver van politiek en politieke filosofie. Voor de nazi’s was zijn werk te abstract om gevaarlijk te zijn en ze legden hem dan ook geen strobreed in de weg. Hij liet zich ook niet met hen in. Zijn tijdgenoot, de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset (1883-1955) streefde er juist naar, een breed publiek te bereiken en concrete veranderingen teweeg te brengen; hij was zelf politiek actief. Ortega werd vooral bekend door zijn boek over de opstand van de massamens (1930), in Nederlandse vertaling verschenen onder de titel De opstand der horden. Hierin waarschuwde hij niet alleen voor fascisme en communisme, maar ook voor de tendens in moderne democratieën om te ontsporen tot een “hyperdemocratie”, een “dictatuur van de meerderheid”. Ook in ons land kreeg hij bijval, onder anderen van de bekende historicus Johan Huizinga (1872- 1945), die Ortega’s filosofie aanmerkte als een baken in de storm van bewogen tijden. Zelf vestigde Huizinga publiekelijk zijn naam als cultuurcriticus met zijn boek In de schaduwen van morgen, een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd, verschenen in 1935 en in 1939 al in acht talen vertaald. De openingszin is talloze malen geciteerd: “Wij leven in een bezeten wereld, en wij weten het.”

M. den Admirant, ‘s-Gravenhage