Terug naar Ecclesianet.nl

Kohlbrugge en het Oude Testament (I)

[i]

Inleiding; afkomst van Kohlbrugge
Waarschijnlijk zou Kohlbrugge zijn hoofd schudden wanneer hij het opschrift van dit artikel zou lezen en ons vragen of wij dan nog steeds over “het Oude Testament” spreken en (nog) niet van hem geleerd hebben dat het gaat over “het zogenaamde Oude Testament.” Met deze bedenking dienen wij dus wel rekening te houden.
Maar nu eerst iets over het gezin waarin Kohlbrugge werd geboren en opgroeide. Hermann Friedrich (Frits) Kohlbrugge werd geboren in Amsterdam in 1803. Zijn moeder, Neeltje Teerhuys, behoorde tot de vaderlandse kerk. Zij was afkomstig uit Edam. Zijn vader, Hermann Gerhard Kohlbrugge, was een Lutherse immigrant uit Westfalen. Hij werd geboren in Menslage. In de loop van de 17e en 18e eeuw zijn velen uit dat arme gebied op reis gegaan naar een van de Nederlandse provincies om daar een bestaan buiten de sfeer van de armoede op te bouwen. Dat deed ook Hermann Gerhard Kohlbrugge, die in 1776 werd geboren en tegen of in het jaar 1800 naar Nederland kwam, waar hij in 1801 in Edam met het meisje Teerhuys trouwde. Een ander voorbeeld van Westfalers die naar Nederland trokken is de familie Brenninkmeijer uit Mettingen, die nog in de 19e eeuw haar geluk beproefde in Nederland. De broers Clemens en August openden in 1861 een kledingzaak in Sneek en met haar miljarden vermogen is deze familie nu de rijkste familie van Nederland.
Vader Kohlbrugge behoorde niet tot de rijken in Amsterdam. Zijn zeepziederij gaf hem een zekere welstand, maar deze ging in de Franse tijd helemaal teloor. Hij stierf arm en liet zijn gezin in kommervolle omstandigheden achter. Maar hij was een godvrezend man en gaf met zijn vrouw en de kinderen op het gebied van het geloof een erfenis mee. Zijn zoon Frits vertelt dat zijn vader in Frits’ kinderjaren hem twee maal had gezegd: “Wanneer je de vijf boeken van Mozes verstaat, versta je de hele Schrift.”
Onwillekeurig vraag je je af van wie vader Kohlbrugge dat had geleerd. Thuis, in de kerk of op de catechisatie? Of in de Hervormde gemeente van Amsterdam, waar Frits in de Nieuwe kerk was gedoopt? Of in de Hersteld Lutherse gemeente, waartoe hij sinds 1809 toe behoorde?
Hoe dat ook mag zijn, het sloot helemaal aan bij het onderwijs dat Frits’ grootmoeder, Anna Teerhuys- van der Horst, aan haar kleinzoon had gegeven. Aan de hand van de blauwwitte tegels van Delft porselein in de grote schouw had zij aan haar kleinzoontje de bijbelse geschiedenissen verteld. Dit ‘onderwijs’ is hem zijn leven lang bijgebleven.

Geschriften over O.T.-ische onderwerpen
Eenmaal volwassen geworden, was Kohlbrugge een door en door bijbels theoloog, die voor het Oude Testament een bijzondere belangstelling toonde. Dat blijkt uit de vele preken die hij over Oudtestamentische teksten heeft gehouden en de talrijke toelichtingen die hij daarop heeft geschreven. In het bijzonder blijkt het uit enkele publicaties die in dit verband genoemd moeten worden.

1. Inde eerste plaats is dat zijn proefschrift over Psalm 45,
2. zijn verhandeling over Mattheüs 1,
3. zijn “Waartoe het Oude Testament” en
4. de bijzondere reeks preken die hij hield over “De Tabernakel en zijne gereedschappen”.
Over drie van deze geschriften enkele korte opmerkingen, daarna over één ervan wat meer uitgebreid.

Kohlbrugge’s dissertatie over Palm 45
Op zijn ziekbed bond Hermann Gerhard zijn zoon Frits op het hart de doctorstitel in de theologie te verwerven. Frits beloofde dit en na de dood van zijn vader in 1825 zette hij zijn studie voort. Na het drama dat erop uitliep dat hij uit het ambt van hulpprediker werd ontzet en uit de Hersteld lutherse gemeente uitgestoten, schreef en voltooide hij in Utrecht, onder heel armelijke omstandigheden zijn proefschrift over Psalm 45, dat hij aan de universiteit aldaar op 4 juni 1829 verdedigde. Zijn promotie vond plaats “op gezag” van de rector professor Herman Bouman, die met rechtzinnigheid weinig had en ondanks de weerstanden die Kohlbrugge’s studie bij de hoogleraren had opgeroepen, geschiedde de promotie “cum laude.” Zijn proefschrift was, zoals tot 1848 zonder enige uitzondering gebruik, in het Latijn geschreven, een “commentarius in Psalmum quadragesimum quintum.” Kohlbrugge twijfelde er niet aan dat de 45e Psalm “een zeer voortreffelijke Psalm met betrekking tot Christus en de Kerk” is. Een “nobilissimus Psalmus de Christo et Ecclesia.” Deze visie was in het begin van de 19e eeuw bepaald niet in de mode. Maar het was niet de eerste keer dat Kohlbrugge tegen de mode inging en het zou niet de laatste keer zijn! Het proefschrift getuigt van een grote kennis van de Semitische talen en van de geschiedenis van de exegese. Het komt tot de conclusies dat door het hele Oude en Nieuwe Testament heen de metafoor van het huwelijk gevonden wordt om “het allerheiligst verbond en de band tussen God en Israël, of tussen Christus en de Gemeente” aan te duiden, dat “hetgeen wij in deze Psalm over de Bruid van de Koning lezen, enkel en alleen past bij de Kerk van Christus” en dat dit geestelijk bruiloftslied uitsluitend een allegorische betekenis heeft en van toepassing is op Christus de Heer en de Gemeente die door Hem is vrijgekocht. Het thema hield hem ook later zeer bezig. Toen hij in 1833 in Gemarke als gastpredikant een dienst mocht vervullen, koos hij als tekst Psalm 45: 14 -16 en preekte hij over “Die Herrlichkeit der Gemeine Christi.” Tussen haakjes: de dissertatie van Kohlbrugge is door drs. C. van Ginkel voor het eerst in het Nederlands vertaald en in 1995 door “De Banier” uitgegeven. Men vindt er de Latijnse tekst alsook ernaast de vertaling in het Nederlands.

L.J. Geluk, Rotterdam



[i] Dit artikel werd geschreven voor Immanuël, het voorlichtingsblad van de Stichting Steun Messiasbelijdende Joden, 11e jaargang, nummer 2. Met toestemming van de redactie van Immanuël wordt het opgenomen in  Ecclesia.  De inleiding werd nu enigszins gewijzigd.e stichting Steun Messiasbelijdende Joden