Terug naar Ecclesianet.nl

Het christelijk geloof en de politiek (II)

dr. H. Klink, Hoornaar

In zijn beroemde boek De Staat gaat Plato in op de vraag wie de ideale staatsman is. Hij laat er geen misverstand over bestaan: het is degene die de wijsheid liefheeft en zoekt. En de wijze is degene wiens ogen zijn open gegaan voor de gerechtigheid die ten grondslag ligt aan onze werkelijkheid. Alleen van wie dit geldt, kan gezegd worden dat hij het schip van de staat kan besturen.

Als een stuurman
De echte staatsman is in staat de juiste koers te bepalen, zoals een stuurman, die vertrouwd is met de stand van de zon, de maan en de sterren, dat kan met een schip. Doordat hij zich kan oriënteren op de vaste sterrenhemel kan hij het schip op koers houden, ook als de stroming ongunstig en de wind tegen is. De politieke leider is als een stuurman die zich niet laat leiden door de ‘toevallige’ mening van het moment, door wat ‘men’ wil en daar in die mate rekening mee houdt, dat hij het voorgeschreven doel uit het oog verliest. Dat iemand dit voor elkaar krijgt, is verre van vanzelfsprekend. Plato vertelt van een schip waarop de matrozen aan het muiten slaan en het roer van de stuurman overnemen. Hij beschrijft hoe ze het vervolgens ook onderling niet eens kunnen worden, waardoor het schip aan hun grillen is overgeleverd. Een vaste hand, een juiste koers ontbreekt. Deze situatie is des te pijnlijker als er bij de ‘matrozen’ mensen zijn bij wie ooit de aanleg om een goede staatsman te worden aanvankelijk wel degelijk aanwezig was. Ze waren een tijdlang op de goede weg, maar raakten daarvan af, omdat ze bedorven werden. Het kan niet anders of Plato heeft, als hij dit schrijft, gedacht aan iemand die hij al van jong af aan kende en die de stad Athene in het verderf heeft gestort: Alcibiades (450 – 404).

Alcibiades
Alcibiades was een neef van de roemruchte Pericles (495 - 429). Hij werd geëerd als geen ander. Het feit dat de jongen bij zijn oom thuis opgroeide, vergrootte zijn prestige enorm. Niet alleen qua afkomst sprak Alcibiades tot de verbeelding van de Grieken. Hem zat alles mee. Hij was mooi van gestalte (iets wat de Grieken veel deed), welbespraakt en sterk van geest. Veelzeggend is dat hij bij de Olympische Spelen de eerste prijs in de wacht wist te slepen voor het wagenrennen. Hij werd de lieveling van heel Athene, iets dat hem geen goed deed en dat meehielp hem te bederven. Daar kwam bij dat Alcibiades al vroeg in zijn leven onder invloed van de sofisten, de rondreizende ‘wetenschappers’ kwam. Zij dienden zich aan als leraars. Tegen een flinke prijs onderwezen ze in de welsprekendheid, een kunde die in de Atheense democratie goed van pas kwam. Voor hen bestond er geen waarheid, geen vaste orde, waarnaar men zich moest richten, geen absoluut verschil tussen goed en kwaad.
    Nu is het zo dat er voor de Grieken twee grootheden waren, die bepalend waren voor het leven in de staat. Dat betrof allereerst de nomos of de nomoi, d.w.z. de wetten die in een stad gangbaar waren, de gewoonten en gebruiken, die in de loop van de eeuwen vaste vorm hadden gekregen. Deze konden van stad tot stad verschillen. Daarnaast kenden de Grieken een ‘goddelijke gerechtigheid’ die uitging boven het gewoonterecht: de Dikè. Plato schrijft op indrukwekkende manier over de heiligheid van deze Dikè in een van zijn laatste boeken, De Wetten:

God, die, zoals de oude traditie het leert, begin en midden en einde van alle wezens in handen houdt, gaat recht op Zijn doel af (…). Hem volgt steeds de Rechtvaardigheid (Dikè) op de voet, om als wreekster de overtreders van de goddelijke wet te bestraffen. Tot hààr gevolg behoren allen die voorbestemd zijn voor de gelukzaligheid en die zich in deemoed en bescheidenheid aan haar hechten. Wie echter opgeblazen is van trots, wie groot gaat op rijkdommen of eretitels, of ook op lichamelijke schoonheid verbonden met jeugd en onbezonnenheid, wie de overmoed in zijn ziel ontsteekt, alsof hij het zonder gezag of leiding kon stellen en alsof hij mans genoeg was om anderen te leiden – die wordt door God verlaten en blijft alleen staan; in zijn verlatenheid neemt hij nog anderen van hetzelfde allooi bij zich op, voert dolle sprongen uit en zet alles op stelten. In de ogen van velen lijkt hij een persoonlijkheid te zijn, maar lang duurt het niet of hij moet de wraak van de Rechtvaardigheid (Dikè) ondervinden – een wraak die niet te onderschatten is! – en hij bewerkt de grondige ondergang van zichzelf, zijn huis en zijn staat. Wat moet een verstandig mens dan doen of denken tegenover zulk een stand van zaken?

Het antwoord dat dan gegeven wordt, luidt:
Dat ligt voor de hand: iedereen moet erop bedacht zijn tot het getal te behoren van hen die het gevolg van de Godheid uitmaken.

Het is wel duidelijk dat Plato in de weergave van de ‘goddeloze’ mens Alcibiades op het oog had. Zijn leven gaf exact dat te zien wat Plato hier beschrijft: hij was hoogmoedig geworden en in zijn verwatenheid had hij gedacht dat hij het “zonder gezag of leiding kon stellen.” Het recht, de rechtvaardigheid (de Dikè) werd door hem niet erkend. Onbezonnen als hij was, heeft hij niet geleerd om zich in “deemoed en in bescheidenheid aan haar te hechten” en om “zich in haar gevolg te begeven.”

Dienen
Een passage uit De Staat maakt duidelijk wat Plato met bedoeld heeft met het “eerbiedig en ootmoedig in het gevolg gaan van de gerechtigheid.” Ook in deze dialoog schildert hij een jongeman die door iedereen wordt bewierookt en toegejuicht, van wie iedereen de hoogste verwachtingen heeft. Hij is begaafd en heeft alles in zich om de echte wijsheid op het spoor te komen, om dus in aanraking te komen met die dingen die eeuwig zijn en die richtinggevend moeten zijn voor het staatsleven. Maar wie, zo vraagt Plato zich af, is bestand tegen de verleidingen van de roem? Wie kan ertegen als alles hem meezit en iedereen de hoogste verwachtingen koestert? Plato erkent ronduit: “Niemand, tenzij (en op dit “tenzij” komt Plato in meerdere dialogen terug) hij door een goddelijke beschikking gered wordt.” Dat kan doordat iemand op zijn weg komt “die bescheiden is” en hem erop wijst dat hij niet autonoom in het leven staat en dat hij niet zomaar in staat is om de leiding te nemen in de staat, maar hem voorhoudt dat hij daartoe alleen dán bekwaam is, als hij zich ontvankelijk opstelt voor en zich in dienst(!) stelt van de gerechtigheid (de Dikè).

    Vanwege het belang van deze notie citeer ik Plato hier nog eens letterlijk. Hij schrijft dat de jonge man het nodig heeft dat er “iemand heel bescheiden in zijn buurt komt en hem de waarheid zegt, dat er geen inzicht en verstand in hem is, die hij toch nodig heeft (om de staat te kunnen besturen) en dat deze niet te verwerven zijn, tenzij men wat men wil bezitten ook wil dienen.” De jonge man moet dus gaan erkennen dat de goddelijke gerechtigheid bóven hem staat. Hij moet er zich gewonnen aan geven en deze gaan volgen. Dat kan alleen als hij de gerechtigheid tegemoet treedt met de bereidheid de gerechtigheid te díenen. Pas dan, als hij die geesteshouding kent, kan hij inzicht en verstand verwerven, die nodig zijn om een ware staatsman te zijn. Dát bedoelt Plato dus als hij spreekt van een zich “in deemoed en bescheidenheid hechten aan de gerechtigheid (Dikè).” Het is dus niet zo dat dit inzicht en deze kennis zomaar voor iedereen toegankelijk zijn. Er is een inwijdingsweg voor nodig.

De gelijkenis van de grot
Met een mooi beeld (de ‘gelijkenis van de grot’) maakt Plato duidelijk wat hij daaronder verstaat. Hij vertelt erin over mensen die hun leven lang in een grot zitten te kijken naar een wand, waarop schaduwbeelden te zien zijn van voorwerpen die achter hen bewogen worden. Die schaduwbeelden zijn te zien omdat ver achter hen een vuur brandt. Zij hebben nog nooit achterom gekeken zodat zij daar niet van weten. Het enige wat ze zien zijn de schaduwen. Dan wordt het één van hen vergund los te komen en om te kijken. Hij mag naar het vuur kijken. Ook krijgt hij de kans om via een trap naar buiten te gaan. Eerst kan hij het licht niet verdragen en verweert hij zich ertegen. Maar als hij na enige dagen gewend is aan het licht, is hij in staat om zelfs het volle daglicht te verdragen. Nu pas ziet hij in dat hij tot dan toe in een heel klein wereldje heeft geleefd en dat de werkelijkheid veel grootser is dan de  schaduwwereld waaraan hij gewend was. Er is een veel reëler wereld, waarvan de schaduwen die hij zag hooguit een afbeelding waren. Plato bedoelt met het vuur in de grot, de zon, in het licht waarvan wij de dingen zien. Maar achter de zon, in de wereld boven deze wereld, in de hemel, is pas het ware licht te zien – het Goede.

    Het duurt een hele tijd voor iemand die begenadigd wordt en die aan het duister van de grot gewend was, de echte werkelijkheid leert zien. En dat kan alleen in het licht van de zon, die de ogen verlicht en die haar licht laat schijnen op de dingen die er zijn. De zon is er en stelt ons in staat te zien. Maar wie kan in het licht zelf kijken? Het licht dat ons iets doet zien van de ware werkelijkheid is van goddelijke oorsprong. Het is de uitstraling van de godheid, die de maat is van alle dingen! Wie in ootmoed daar iets van gezien heeft, is een ingewijde. Hij krijgt de wijsheid lief en weet haar in ootmoed en bescheidenheid te volgen – aldus Plato. 

    Stel, zegt Plato nu, dat zo iemand weer afdaalt in de grot. Wat een verschil ervaart hij met degenen die het echte licht niet hebben gezien. In eerste instantie lijken zij de schaduwen op de wand beter te zien dan hij, want zijn ogen moeten weer wennen aan het donker. Dat levert hem kritiek op. Toch ziet hij, als zijn ogen weer wat aan het donker gewend zijn, veel beter dan de anderen, die als ze voorwerpen in schaduwbeeld langs zien komen, alleen maar kunnen gissen naar de ware aard ervan. De wijze weet veel beter en kan de dingen veel beter duiden en onderscheiden. Zo kan hij de anderen helpen om de ware aard van de dingen op het spoor te komen.

    Het is duidelijk dat voor de wijze het in de grot gaan een opoffering is en ook de omgang met zijn vrienden lastig is, omdat hij veel meer ziet dan zij. Hij brengt het alleen op om dat te doen, door het als een roeping te ervaren, de anderen te helpen, aangezien hij zelf het als een genade ervaren heeft, meer te zien dan de anderen. Ook hier zien we het dienend karakter van de ‘ware staatsman’. Want ook in deze gelijkenis gaat het Plato om de ware staatsman.

Tweeërlei staatslieden
Zo zien we twee ‘typen’ staatslieden tegenover ons. De een wil heersen, werpt zich op als een leider en trekt de macht naar zich toe. De ander is deemoedig, weet van een grotere gerechtigheid waarnaar hij zijn pad moet richten en doet dat dienend. Het is het verschil tussen de autonome mens en de mens die weet heeft van zijn nietigheid tegenover de gerechtigheid. Het optreden van de een is op den duur desastreus voor zichzelf, voor zijn huis en voor de staat. Het optreden van de ander is tot zegen. Hij dient de gerechtigheid en de waarheid en helpt zo de anderen de juiste koers te bepalen. Alleen deze laatsten kunnen volgens Plato werkelijk staatsman te zijn.

Tot slot. In Plato’s geschriften zijn tal van noties te vinden die later door de christenen zijn herkend als vingerwijzingen naar het Woord van God. Een ervan is de notie die in dit artikel aan de orde kwam: de staatsman is ootmoedig omdat hij weet dat in dienst staat van God, van de gerechtigheid. Veel duidelijker nog dan bij Plato komt dit naar voren in de Psalmen en bij de profeten (Jesaja spreekt in naam van God over de Perzische koning “Cyrus mijn knecht”), bij de Jood Philo en vooral bij Paulus, die in de brief aan de Romeinen schrijft: “De overheid is Gods dienares u ten goede” (Romeinen 13: 1-4). Deze waarheid die nergens zo ontdekt is als in Israël wordt ook en vooral door Christus verwoordt, die de scepticus Pilatus voorhield: “U zou geen macht hebben, als het u van boven niet gegéven was!” (wordt vervolgd)