Terug naar Ecclesianet.nl

H.F. Kohlbrugge als lid van de Hersteld-lutherse gemeente (VI, slot)

Op audiëntie bij de koning

Koning Willem I en de gouverneur van Noord-Holland, Van Tets van Goudriaan, werden eveneens op de hoogte gebracht van de moeilijkheden in de Hersteld- lutherse gemeente. Namens het consistorie ging een delegatie onder leiding van ds. Uckerman op audiëntie bij de Koning en bracht daarna een bezoek aan de gouverneur. Toen de aanhangers van Kohlbrugge hiervan hoorden, besloten zij dit voorbeeld te volgen. Een commissie, bestaande uit de pas gekozen vertegenwoordigers Scholte, Liebig en Leur, stelde een adres op en overhandigde dit aan de Koning. Daarin werd de aandacht gevestigd op het onrecht dat Kohlbrugge was aangedaan, en op de weigering van het consistorie, de nieuwgekozen vertegenwoordigers te accepteren. De commissie verzocht de vorst, deze zaken te laten onderzoeken. De Koning gaf via het departement van Eredienst de gouverneur opdracht, de zaak in behandeling te nemen. Van Tets riep afgevaardigden van beide partijen bijeen op het Amsterdamse stadhuis, om in aanwezigheid van burgemeester Elias te proberen een oplossing voor de ontstane problemen te vinden. Hierbij zocht de gouverneur naar een compromis. Om Scholte en zijn aanhangers tegemoet te komen, vroeg hij het consistorie, Kohlbrugge weer als proponent aan te stellen en de drie vertegenwoordigers te erkennen. Anderzijds probeerde Van Tets het consistorie tevreden te stellen door beide partijen op te dragen, elk afzonderlijk een concept voor een algemeen reglement op te stellen dat als grondslag zou kunnen dienen voor de organisatie van een nieuw kerkgenootschap. Het consistorie hoopte namelijk door middel van zo’n reglement de macht van de oppositie te kunnen breken. Scholte en de zijnen beseften dit blijkbaar niet, want ze stemden zonder meer met het voorstel in.
       De beoogde oplossing van het conflict bleef echter uit, mede doordat gouverneur Van Tets in mei 1828 werd benoemd tot minister van Financiën. Scholte, Liebig en Leur gingen opnieuw op audiëntie bij de Koning en overhandigden hem een adres waarin zij om een oplossing voor de problemen verzochten. De aanhangers van Kohlbrugge waren intussen ongeduldig geworden en een aantal van hen verliet de gemeente. Van Tets’ opvolger als gouverneur, J.M. van Tuyll, riep begin oktober 1828 opnieuw afgevaardigden van beide partijen bijeen. Ds.Uckerman nam aan de besprekingen deel. De nieuwe gouverneur stelde evenals zijn voorganger voor, Kohlbrugge weer als proponent aan te stellen en de drie gekozen vertegenwoordigers te erkennen. Het laatste was voor Uckerman onbespreekbaar. Wel wilde hij het eerste voorstel overwegen, mits Kohlbrugge bereid zou zijn zowel diens aanklacht tegen hem als zijn uitlatingen op de Tweede Pinksterdag 1827 te herroepen. Van Tuyll wees erop dat men als christen toch de bereidheid moest hebben elkaar te vergeven, waarbij hij zich speciaal tot Uckerman richtte. Deze reageerde met de opmerking: “De jongeling heeft mij grovelijk beledigd, maar ik vergeve hem.” Op 4 november liet de gouverneur Kohlbrugge bij zich komen. Hij gaf hem de raad zijn klacht tegen Uckerman in te trekken en te verklaren dat hij deze als een rechtzinnig predikant beschouwde. Zijn halsstarrigheid zou hem in het ongeluk storten, zo waarschuwde de gouverneur. Kohlbrugge antwoordde dat de rust van zijn ziel hem boven alles dierbaar was en dat hij het voorstel niet kon aanvaarden zonder een oneerlijk man te worden. Hij verzocht, waar dan ook, tegen de predikant Uckerman gehoord te worden. Had hij gelijk, dan moest men hem met vrede laten gaan. Als hij ongelijk had, dan zou hij dat voor de gehele gemeente erkennen en zich gewillig onderwerpen aan alle straffen die het consistorie of het gouvernement hem zou willen opleggen. De gouverneur wees dit af, maar Kohlbrugge hield voet bij stuk. Bij zijn vertrek wees de griffier van de Provinciale Staten, die bij het onderhoud aanwezig was, er nog op dat hij nu het risico liep vervolgd te worden, “waarna ik”, aldus Kohlbrugge, “opstond en met nederige buiging vertrok, zuchtende tot mijn God, den Opperregeerder van hemel en aarde.”

M. den Admirant, ‘s-Gravenhage