Terug naar Ecclesianet.nl

Hoe Paulus over de mens dacht (V, slot)


H.Klink,Hoornaar

Philo staat in de uitleg over de schepping van de mens in een bepaalde traditie:die van het Alexandrijnse Jodendom.De vraag die we ons in deze artikelenserie stelden is of deze traditie mogelijkerwijs van invloed geweest is op Paulus en zijn visie op de mens.We wezen er meerdere keren op dat deze vraag aan de orde gesteld is in twee boeken die recent verschenen zijn,dat van G.H.van Kooten en van Stefanie Lorenzen.Zij komen tot een verschillende beoordeling en conclusie.Op welke noemer valt dit verschil te brengen?In ieder geval is het zo dat mevrouw Lorenzen meer oog heeft voor de verschillen tussen Philo en Paulus dan prof.Van Kooten.Zij onderstreept de continuïteit én de discontinuïteit.De verschillen hangen samen met de discontinuïteit die er bij alle continuïteit toch is tussen het oude en nieuwe verbond.

Genesis 2:7

Om het een en ander duidelijk te maken wil ik nog eens ingaan op hetgeen prof.Van Kooten aandraagt.Hij wijdt mooie passages aan Philo.Op één cruciaal punt gaat hij mijns inziens echter scheef.Dit punt is cruciaal omdat het gaat over een kerntekst met betrekking tot Adam:Genesis 2:7.Daar lezen we “dat God Adam de adem inblies.” Het woord dat hier gebruikt wordt voor adem is in het Grieks ‘pneuma ’.Zó,staat er,werd Adam tot een levende ziel.Adam is dus ‘beademd ’ door God en daardoor is Hij – zo kunnen we stellen – ín het beeld van God geschapen,in Gods beeld opgenomen.Zo is de uitleg van ondermeer Kohlbrugge.

Prof.Van Kooten maakt nu de keuze om dit woord pneuma op te vatten als een wezenlijk antropologisch kenmerk van de mens.Adam hééft een pneuma,een geest.Door de adem in zijn neus te blazen heeft God hem een geest gegeven.Hij is gemaakt als lichaam, ziel én geest.Zo,aldus professor Van Kooten,heeft ook Plato het gezien.Bekend is de beeldspraak van de wagenmenner,die twee paarden moet mennen.De twee paarden zijn de ziel en het lichaam,ze moeten in gelid blijven.Alleen de wagenmenner kan dat doen, d.w.z.de geest van de mens.Hij is daartoe in staat als hij het goddelijke in het oog blijft houden.

Toch valt bij het lezen van de teksten die prof.Van Kooten als bewijs aanhaalt,iets opmerkelijks te constateren.Op heel belangrijke plaatsen neemt hij de (goede)vertaling van de ‘Loebserie ’ niet over,maar biedt hij een eigen vertaling.Hij doet dat ook bij die teksten die gaan over Genesis 2:7,waar dus staat dat God Adam de adem inblies.Ik geef een voorbeeld: Philo schrijft in zijn geschriftje Over het feit dat de kwaden de goeden vervolgen :“Tot de vaardigheid die voortvloeit uit de fontein van de rede wordt de adem gerekend,niet de lucht die beweegt,maar als het ware een afdruk,gemaakt door de goddelijke kracht, waaraan Mozes de naam ‘beeld ’ geeft.” Wat is vanzelfsprekender (de context bewijst het ook)dan in het licht van Genesis 2:7 in de “fontein van rede ” God zelf te zien,die Adam de adem in de neus blaast en hem zo een afdruk geeft van zijn wezen en hem zo opneemt in zijn beeld.Het beeld is dan een afdruk van de goddelijke kracht.

Prof.Van Kooten vertaalt echter het woord ‘pneuma ’ (dat zowel ‘adem ’ als ‘geest ’ kan betekenen)met ‘geest ’ en verstaat deze passage zó dat de fontein van de rede in de mens zelf ligt.De geest van de mens vloeit voort uit de fontein van de menselijke rede en deze geest is min of meer hetzelfde als het beeld van God.Prof.Van Kooten vertaalt de hele passage waar het om gaat als Loeb,behalve dus waar het woord ‘pneuma ’ staat,dat in de Loebeditie met (Gods)adem vertaald wordt (en dat zo natuurlijk doet denken aan Genesis 2:7).Daar kiest hij uitdrukkelijk voor het woord ‘geest ’.

Ook op andere plaatsen kiest Van Kooten in tegenstelling tot de vertaler van de standaardeditie van Philo voor het woord ‘geest ’ i.p.v.voor het woord ‘adem ’. Het gevolg van deze vertaalkeuze is veelal dat de geest van de mens tot een zelfstandig functionerend iets gemaakt wordt in de mens,tot een faculteit die hij ‘bezit ’,tot iets dat de mens eigen is.De geest van de mens wordt een antropologisch kenmerk,waarbij de mens geroepen is gehoor te geven aan de goddelijke stem om zo via het pad van gehoorzaamheid en oriëntatie op God tot assimilatie (eenwording)met God te komen.Dat kan alleen via het pad van de deugd en van het overdenken van de goddelijke dingen.Zo krijgt de menselijke geest de overhand over de lichamelijke hartstochten.

Hoeveel goeds prof.Van Kooten ook zegt,het subtiele karakter van Philo ’s spreken over het beeld Gods doet hij niet geheel recht. Debet daaraan is dat hij constant zoekt naar heidense parallellen.Debet is ook de vrij rationalistische inslag van zijn boek.Dat het geen toeval is dat hij de menselijke geest bij Philo verzelfstandigt,blijkt ook wel uit de vreemde uitleg van Romeinen 8:5 en 27 (“het bedenken des Geestes is leven en vrede ” en “Die de harten doorzoekt,weet wat de mening des Geestes is.”).In beide gevallen stelt prof.Van Kooten dat de Geest met een kleine letter behoort geschreven te worden:het gaat hier om de menselijke geest,die weer functioneert zoals het hoort: de menselijke geest regeert over het lichaam.Ook in deze uitleg verzelfstandigt Van Kooten de menselijke geest en gaat hij voorbij aan de nuance en de subtiliteit,de ‘geestelijkheid ’ van in dit geval Paulus ’ bedoeling.

Veruiterlijking

Al met al spreekt prof.Van Kooten zo over Philo ’s visie op de mens,dat hij moeilijk aan het risico ontsnapt dat Adam in een veel onafhankelijker positie,als zelfstandige grootheid tegenover God komt te staan,dan bij Philo het geval is.Bij Philo blijft de eerste Adam heel sterk aangewezen op de openbaring,de inblazing van de adem (de Geest van God),om zijn eigenlijke bestemming te bereiken – geheel beeld Gods te wórden.Met andere woorden:het genadekarakter van Gods ontferming over de mens die geleid moet worden tot zijn bestemming komt bij Philo heel duidelijk naar voren,terwijl dat,waar de geest van de mens verzelfstandigd wordt,veel minder het geval is. Wellicht mag ik mijn bedoeling duidelijk maken door te verwijzen naar het mooie artikel van dr.W. Aalders dat hij publiceerde in de uitgave van het zgn. Kohlbruggeboek van 1976,waarin hij schrijft over het beeld van God.

Dr.Aalders schrijft daar over de theologie van prof. dr.H.Berkhof.Hij signaleert daar dat Berkhof de mens plaatst in een ruimtelijke afstand van God.“De mens staat dus als een eigen zelf ‘buiten ’ God en God staat als een eigen Zelf ‘buiten ’ de mens.(…)Onwillekeurig en onvermijdelijk krijgt daardoor de betrekking van God en mens een uiterlijk,vreemd,wettisch karakter.” Aalders signaleert “dat Augustinus, Luther en Kohlbrugge heel anders over de verhouding van God en de mens spraken:veel nabijer,mystieker,geestelijker en inniger.Het Evangelie klinkt er voller in door.God is degene in wie mijn bestaan zijn grondslag heeft,mijn waarheid haar oervorm vindt,mijn leven zijn vervulling ontvangt.De mens is nauwelijks meer een ikheid, een eigenheid,een zelfstandigheid.” “Hij is krachtens zijn scheppingsoorsprong niet de bezitter van een eigen,vrij,zelfstandig,scheppend ‘ik ’,maar hij heeft zijn bestaan puur en restloos in en vanuit het beeld van God,dat zich vanaf zijn formering uit het stof der aarde als de wolk der heerlijkheid over hem uitbreidde en hem het eigen goddelijke leven deelachtig maakte.”

Met andere woorden:Prof.Van Kooten loopt het risico Philo verkeerd te begrijpen door hem te rationeel te interpreteren:het musische,innige karakter dat Philo ’s geschriften kenmerkt,komt te weinig tot zijn recht:het gaat er hem om de structuur (in zijn woorden:de geografie,de coördinatiepunten)van het mens zijn te schetsen,waarbinnen de menselijke geest het primaat

moet krijgen:De zonde heeft tot gevolg dat de menselijke geest niet meer naar behoren functioneert en de passies de overhand krijgen.Dit moet hersteld worden, door assimilatie, ‘eenwording ’ met God.

En Plato …

Deze uitleg doet m.i.zelfs Plato niet helemaal recht. Het is waar:volgens Plato bestaat de mens uit lichaam, ziel en geest.Maar welke prachtige passages wijdt Plato niet aan de ‘geboorte ’ van de menselijke geest! Deze wordt nauw gekoppeld aan de nabijheid van het goddelijke.Pas als de menselijke geest weer tot zijn bestemming komt,oog krijgt voor het goddelijke,slaat de menselijke ziel haar vleugels uit en zucht en verlangt zij ernaar het goddelijke te bereiken.In zijn zevende brief schrijft Plato daarover en stelt:“Wat ik bedoel laat zich op geen enkele wijze in woorden vatten,zoals andere leeronderwerpen,maar slechts tengevolge van een innige vertrouwdheid van en geregelde omgang met de zaak zelf,ontstaat het plotseling – als een vuur,dat door een overgesprongen vonk ontstoken wordt,in de ziel en dat zich vanaf dat moment uit zichzelf voedt en onderhoudt.”Waar Plato keer op keer op wijst,is dat de mense-lijke geest zijn goddelijke bestemming in het oog moet krijgen en aan de roeping van God gewillig moet gehoorzamen.Het is niet voor niets dat het woord heimwee wellicht de beste vertaling is voor het woord ‘eroos ’ waaraan hij zulke mooie woorden wijdt.De weg van de mens is een inwijdingsweg naar de vastheid van de hemelse dingen.Het is de vraag of het woord ‘assimilatio ’,‘eenwording ’ daarvoor wel zo ’n gelukkige omschrijving is.

Deze aspecten komen we ook tegen in de Wijsheidsliteratuur van Israël.Heel fraai is een passage in Jezus Sirach waar we lezen:“Gelukkig is de mens die zich verdiept in wijsheid,die naar inzicht streeft,de wegen van de wijsheid overdenkt.Laat hij het spoor van de wijsheid volgen,bij haar poorten naar haar spieden.Hij blikt door haar vensters,luistert aan haar deuren ”(Jezus Sirach 14:20-27). In deze traditie stond Philo! En de weg die Plato wees,vond hij vervuld in de Schriften!Wat was de Schrift anders dan de bron van waaruit God de menselijke geest weer begiet (vaak gebruikt Philo het woord:regen – iets zeer genadigs in het warme Midden-Oosten!),zodat hij zijn bestemming weer gaat zien en opstaat,zoals Abraham,en de weg erheen wil beschrijven.Daartoe is Israël geroepen,Israël,dat “degene die God ziet ” betekent!

Aangewezen op de Goede Herder

Wat ik wil onderstrepen is dat Adam,die door de inademing van Gods Geest een levende ziel is (Genesis 2) ondanks de heerlijkheid die hij uitstraalde,toch in een fragiel evenwicht stond.Philo heeft beseft hoezeer de mens afhankelijk is van Gods openbaring in de levensweg die hij beschrijft naar het uiteindelijke doel.Daarin komt hij dicht bij de apostel Paulus,die in 1 Korinthiërs 15 ook aangeeft dat de eerste Adam ‘slechts ’ een levende ziel werd,die hoe groots ook, zwak is in zichzelf.

Philo weet dat God de mens te hulp gekomen is, vanaf het prille begin.Hij deed dat door het leven van Henoch en Noach,en daarna in de historie van Israël. Hij wees de weg in de Septuaginta om zo de overgang tot het volledige leven met God mogelijk te maken.Het gaat erom uit deze bron van het Woord te putten,die als een leidsster is.Daarbij komt de Goede Herder de Gids (de Logos)Israël en de mensheid te hulp.Hij wil hen leiden naar het uiteindelijke doel.(Psalm 23)Van deze Herder wist Paulus.Hij wist hoe Hij te hulp gekomen is:op een manier die ook voor Philo onvoorstelbaar geweest zou zijn:Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.Met Hém heeft Paulus kennis gemaakt op de weg naar Damas-cus.Toen heeft hij gezien:zijn ijver als een van de voornaamsten van zijn volk,om via de werken van de wet zover te komen,dat het Koninkrijk van God gerealiseerd zou worden,zijn op niets uitgelopen.Waar hij hunkerend en zich beijverend naar zocht en waar hij vanuit de verte wellicht iets heeft gezien,heeft hij niet verkregen (Romeinen 9:31).

Een radicale overgang

Om in het Koninkrijk van God te komen is een veel radicalere overgang nodig,dan men tot nu toe gezien had,zelfs binnen het raam van de godsdienst van Israël:tenzij een mens wederom geboren wordt,kan hij het Koninkrijk van God niet zien (Joh.3:16).Binnen het raam van deze werkelijkheid kan iemand begeren om in te gaan in het Koninkrijk van God – het lukt hem niet.Romeinen 3:23 is wat dat betreft de textus classicus:“Wij derven,ontberen de heerlijkheid Gods.” De heerlijkheid waarin Adam geschapen was en die bedoeld was om ons tot God te brengen,door de weg van gehoorzaamheid,is op niets uitgelopen. Wij zijn onderworpen aan de eerste beginselen van de wereld en wij zijn daarin machteloos.De mens bereikt het doel waarvoor hij geschapen is niet.Zelfs niet langs de weg van het oude verbond.Maar ook niet langs de weg van menselijke wijsheid,hoezeer ook het heidendom daarmee bedeeld is.God had iets anders op het oog,nl.dat dit doel bereikt werd via genade, de genade van de Zoon!Daar ligt de betekenis van Romeinen 7!

Het zondebesef van Paulus is veel sterker dan dat van Philo:Paulus ziet in dat de mens door de zondeval in een onmogelijke positie terecht is gekomen,waar-door de hele schepping tot verval is geraakt.De hun-kering het goede te doen mag er zijn,– de mens is immers geschapen naar Gods beeld en van die bestemming komt hij nooit los,maar hij is dit beeld kwijt geraakt,ook in zijn aards-lichamelijke gedaante. En daarom is in de verlossing door God van de mens, de hele schepping gemoeid.Paulus ziet dat het kwaad zo diep is doorgedrongen dat de hele schepping zucht en wacht op een totale vernieuwing.

De verlossing zoals Paulus daarover schrijft,reikt dus veel en veel verder en veel en veel dieper dan de verlossing waarvan Philo weet.Hij brengt dat op de volgende noemer:zoals wij het beeld van Adam (zondig en zwak,machteloos en onderworpen aan de machten van deze wereld)gedragen hebben,zo zullen wij het beeld dragen van de tweede Adam.De eerste Adam wijst heen naar de tweede Adam:door Hem ontvangen wij de Geest der vernieuwing:wij zullen worden geschapen naar het beeld van Hem die door zijn dood en opstanding bewees de levendmakende Geest te zijn en die in zijn opstanding de oude schepping tot nieuwe glorie bracht.Zijn opstandingheerlijkheid staat garant voor een nieuwe schepping. Daarin gloort de toekomst van de nieuwe mensheid. Deze verlossing gaat ook ver uit boven een herstel van de geest van de mens,waardoor hij weer de hegemonie krijgt en gaat functioneren, overeenkomstig Gods scheppingsbedoeling (zoals prof.Van Kooten stelt).     Heel duidelijk is dat deze nieuwe mensheid volstrekt aangewezen is op genade, op de vergeving van de zonden.Welnu,deze algehele vernieuwing hangt samen met Gods reddend initiatief,dat uitreikt boven het schema van de oude schepping – het is een nieuwe schepping ,door de vleeswording van het Woord!

Aan deze noties doet Stefanie Lorenzen recht. Van deze overgang van de oude schepping tot een nieuwe schepping wist Philo niet of nauwelijks.Hij kon er in de verte iets van bevroeden.In de apocalyptische geschriften als die van Daniël wordt er wél over gesproken.En in de ontmoeting met Christus heeft Paulus met deze nieuwe schepping,die in Christus al realiteit werd,kennis gemaakt.Op die ontmoeting berust het hele Nieuwe Testament,dat daarmee de vervulling is van de Septuaginta en ook van het verlangen van Philo.