Terug naar Ecclesianet.nl

16 juristen en hun inspiratie

Drs. H. Groeneboom, Rotterdam

Rechtsgeleerden hebben grote invloed op de inrichting van de samenleving. Een hoogleraar kan generaties van juristen vormen. De Hoge Raad oriënteert zich bij beslissingen die het rechtsleven blijvend veranderen, dikwijls op de opvatting van een gezaghebbend auteur. Het is daarom zinvol in Ecclesia stil te staan bij het boek “16 juristen en hun filosofische inspiratie“, dat in 2004 bij uitgeverij Ars Aequi in Nijmegen verscheen.
De opbouw van dit boek is globaal als volgt. In zestien bijdragen die verzorgd worden door hoogleraren en docenten van meerdere universiteiten, komen de verschillende juristen aan bod. De opzet is steeds dezelfde: een korte biografie, een bespreking van de methodologische werkwijze of de filosofische achtergrond, een afrondende evaluatie en tot slot een bibliografische schets. Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een afbeelding van de besproken jurist. De zestien portretten zijn tevens in het klein op de voorpagina van het boek afgedrukt.
Het geheel wordt voorafgegaan door een inleiding, een lezenswaardige schets van de geschiedenis van het Nederlandse recht. Het jaar van ontstaan daarvan kan nauwkeurig worden aangegeven: 1809. In dat jaar wordt het “Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland“ ingevoerd en het Romeinse recht als subsidiair geldend recht afgeschaft. De Nederlandse juristen verdwijnen daarmee van het internationale toneel. Voorheen bezaten zij internationale vermaardheid, denk bijvoorbeeld aan iemand als Hugo de Groot (1583-1645), de grondlegger van het internationale recht. Een gevolg van de invoering van het Wetboek Napoleon is, dat buitenlandse juristen nauwelijks meer kennis nemen van het werk van hun Nederlandse vakgenoten, die minder en minder in Duitse en Franse werken worden geciteerd.
Met het Nederlands recht ontstaat ook Nederlandse rechtswetenschap. Op basis van de tekst van de wet maakt men logische onderscheidingen, en ontwikkelt en ordent een samenhangend geheel van rechtsbegrippen. Zo ontstaat de zogenaamde dogmatische rechtswetenschap, die tot in de eerste helft van de twintigste eeuw in hoog aanzien staat. Zij komt aanvankelijk vooral door Duitse en Oostenrijkse juristen tot ontwikkeling, die elk een eigen System schrijven. Nederlandse juristen nemen dat over. Er komt echter al gauw kritiek op omdat de dogmatiek los komt te staan van de maatschappelijke werkelijkheid. De bekende theoloog-filosoof C.W. Opzoomer (1821-1892) schrijft in zijn Het Burgerlijk Wetboek, verklaard, derde deel, tweede herziene druk: “De Duitsche rechtsgeleerden, meer dan die van andere volken aan wijsgeerige begripsontleeding gewend, maken door overdrijving de deugd licht tot een gebrek, de philosophie tot een onvruchtbare, onpraktische scholastiek“. Dit leidt er toe dat aan het begin van de twintigste eeuw een heftig debat ontstaat over de vraag of de rechter zich volstrekt gebonden moet achten aan de wet, dan wel of hij daar geheel vrij tegenover staat.

Het eerste standpunt is dat van de zogenaamde legisten, het laatste dat van de vrijrechtsbeweging. De Amsterdamse rechtsgeleerde Paul Scholten (1875-1946) vindt in zijn Algemeen Deel,1 dat in 1931 verschijnt, het juiste midden tussen rechterlijke gebondenheid en rechterlijke vrijheid. In een genuanceerd betoog laat hij zien dat bij elke rechtsbeslissing de rechter onvermijdelijk een eigen, persoonlijk gekleurde inbreng heeft. Hij moet immers de feiten waarderen, en beoordelen wat van mensen in een bepaalde situatie verwacht mag worden. Dat is geen strikt wetenschappelijk werk zoals het legisme veronderstelt. Uiteindelijk, zo meent Scholten, is alle recht gegrond in moraal. En in die morele beoordeling door de rechter speelt zijn levensbeschouwing mee. Voor Scholten betekent dit dat de rechter zich uiteindelijk in zijn geweten verantwoordelijk weet tegenover God.
De figuur van Scholten zal voor de lezers van Ecclesia geen onbekende zijn, al is het alleen maar vanwege de grote rol die hij heeft gespeeld in de geschiedenis van de Hervormde Kerk. Vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft hij zich onderscheiden door zijn betrokkenheid bij het kerkelijk verzet, en zijn voorzitterschap van de ‘Commissie voor beginselen van kerkorde’, een commissie die de basis legde voor de Hervormde Kerkorde van 1951. Hij is één van de figuren die in dit boekje worden besproken. P.W. Brouwer, hoogleraar in de algemene rechtsleer aan de Universiteit van Amsterdam, wijst terecht op de invloed die het personalisme van Ph. A. Kohnstamm (1875-1951) op Scholtens visie op de aard van morele oordelen heeft. Kohnstamm en Scholten zijn waren zeer met elkaar bevriend, zodanig zelfs dat meerdere kleinkinderen van Kohnstamm naar Scholten werden genoemd. Overigens was Kohnstamm niet de enige vertegenwoordiger van de ethische richting in de Hervormde Kerk, die invloed had op Scholtens denkbeelden. Ook P.D. Chantepie de la Saussaye (1848-1920), A.J. de Sopper (1875-1960) en O. Noordmans (1871-1956), met wie Scholten eveneens bevriend was, beïnvloedden zijn denken. Miskotte wijst Scholten in zijn artikel “Ethisch“ daarom terecht aan als iemand die een “ethisch ferment“ (zuurdesem) in de samenleving heeft gebracht.

“16 juristen“ bespreekt meerdere belangrijke rechtsgeleerden die bij Scholten zijn gepromoveerd. Het laat zien hoe groot zijn invloed op het rechtsleven is geweest. Tot zijn leerlingen behoort M.G. Levenbach (1896-1981), de sociaal-democratische grondlegger van het Nederlandse arbeidsrecht en jarenlang hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam; I. Kisch (1905-1980) die een ambivalente verhouding had tot zijn Joodse achtergrond en zich een “weerbarstige leerling van Scholten“ noemde; en G.J. Wiarda (1906-1988), één van de grondleggers van het Nederlandse bestuursrecht.
Het is verrassend te ontdekken dat G.J. Wiarda, kleinzoon van een Hervormde predikant en zoon van een Remonstrantse jurist, zeer geïnteresseerd was in het werk van de christelijke apologeet Pascal (1623-1662). Duidelijk wordt dat hij zich met name tijdens de oorlogsjaren verdiept in het werk van de Franse apologeet. In zijn bijdrage aan de bundel die in 1973 wordt opgedragen aan de oud-procureur bij de Hoge Raad G.E. Lange-
meijer (die eveneens in dit boek een plaats krijgt), is Wiarda nader ingegaan op zijn belangstelling voor Pascal. Hij bespreekt in dit verband de lotsverbondenheid van Pascal en de Franse jurist Jean Domat (1625-1696), één van de grote namen achter Napoleons “Code Civil“. Pascal en Domat blijken niet alleen tijdgenoten (geboren in respectievelijk 1623 en 1625), plaatsgenoten (allebei uit Clermont-Ferrand) en afkomstig uit juristenfamilies, zij behoren ook beide tot de kring van Port Royal, het klooster waarin Jansenisten zich hebben georganiseerd. Het Jansenisme, dat is genoemd naar de Vlaamse theoloog Cornelis Jansen (1585-1638), kan worden getypeerd als een opwekkingsbeweging binnen het rooms-katholicisme die zich sterk oriënteerde op de genadeleer van Augustinus. Het is zeer opmerkelijk dat Wiarda Pascal en Domat als leidende figuren van deze kring aanwijst. Wel constateert hij groot verschil in hun waardering van het natuurrecht. Pascal laat zich daar in zijn ‘Pensées’ zeer sceptisch over uit. Ik teken hier wel bij aan dat hij daarbij vooral het rationalistische natuurrecht, product van verlichtingsdenken, op het oog heeft. Domat is echter juist een aanhanger van het (christelijke) natuurrecht. De ideeen van deze gezaghebbende jurist werken via de Code Civil van Napoleon door tot in ons oude Burgerlijk Wetboek, dat tot 1992 geldig was. In een betoog uit 1927, waarin wordt beargumenteerd dat billijkheid en recht onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, grijpt Scholten terug op een wetsartikel dat teruggaat op Domat. Kennelijk herkent hij daarin een zelfde zoeken naar gerechtigheid dat hem zelf beweegt.
Wiarda heeft zich niet direct door het denken van Pascal laten beïnvloeden. Want, zegt hij, “het ligt helemaal niet in mijn remonstrantse aard om een radicale visie als die van Pascal te volgen“. Maar hij zegt ook: “De denker die ons in de Pensées tegemoet treedt is ongemeen boeiend en indrukwekkend, ook voor wie zijn uitgangspunten niet deelt“.
Grote invloed is uitgegaan van de ideeën van de rooms-katholieke W.P.J. Pompe (1893-1968). Hij was van 1928 tot 1963 hoogleraar Strafrecht aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Daar richtte hij in 1934 het Criminologisch Instituut op. Dit instituut bestaat nog steeds, sinds 1974 draagt het de naam Willem Pompe Instituut voor strafrechtswetenschappen.
Pompe’s rooms-katholieke achtergrond heeft duidelijk invloed op zijn wetenschappelijke ideeën. Dit komt uit in zijn opvatting dat in het strafrecht de delinquent als volwaardig medemens dient te worden gerespecteerd. Hij dient zowel vanuit menswetenschappelijk als gedragswetenschappelijk oogpunt geheel tot zijn recht te komen. Overigens houdt Pompe hierbij wel vast aan vergelding als rechtsgrond van de straf. Vergelding is voor hem zelfs het wezen van de straf, omdat het boete (in de zin van weer goed maken) mogelijk maakt. De wilsvrije mens wordt door de straf verantwoordelijk gesteld voor zijn daden in die zin dat hij in staat wordt gesteld om het in hem verloren vertrouwen van de gemeenschap weer te herwinnen.
Wel heeft Pompe in 1947, ter relativering van vergelding, barmhartigheid bepleit. Want barmhartigheid kan ons behoeden voor “zelfgerechtigheid“. Pompe’s christelijke inspiratie komt verder ook tot uitdrukking in zijn diepe besef van de onvolmaaktheid van de mens. Daarom kan hij een misstap als een menselijk gegeven accepteren. Wie zich via de straf voor het goedmaken van zijn daden heeft beijverd, verdient dat hem nieuwe perspectieven worden geboden.
Over zijn christelijk geloof schrijft Pompe in 1945: “Godsdienst betekent voor de Christen een taak, zelfs een bovenmenselijke taak. Christus eist immers van Zijn volgelingen “Weest volmaakt, gelijk uw Hemelse Vader volmaakt is“. Zulk een taak kan geen mens met eigen, menselijke, kracht vervullen“.
Pompe’s opvattingen zijn een belangrijke inspiratiebron voor wat men noemt de humanisering van het naoorlogse strafrecht. Of daarbij gerechtigheid en barmhartigheid altijd op een gelukkige wijze zijn gecombineerd, is een open vraag. Aan het bijbels recht van Pompe’s intenties doet dat echter niets af.
Ik wijs in het voorbijgaan op de figuur van E.M. Meijers (1880-1954), de Leidse hoogleraar en rechtshistoricus die de grondslag legt voor het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Het is de ironie van de geschiedenis dat dit nieuwe wetboek wordt ingevoerd op de dag van het ontstaan van de Europese Unie, 1 januari 1992. Dus op de dag dat Europa één wordt, krijgt Nederland een nieuw nationaal wetboek. Meijers, een liberaal denkend iemand van Joodse afkomst, is dikwijls gezien als de grote tegenspeler van Scholten. Mijn indruk is dat ze elkaar eerder zagen als respectabele collega’s. Tijdens een bijeenkomst, gehouden ter gelegenheid van Scholtens zeventigste verjaardag, noemde Meijers in zijn toespraak drie onderwerpen waarbij de Hoge Raad Scholtens opvatting heeft gevolgd, en de zijne verworpen. Dat zegt toch wel iets.
Scholten, Wiarda en Pompe zijn niet de enige figuren met een christelijke achtergrond die in dit boek besproken worden. Ook de gereformeerde staatsrechtsgeleerde A.M. Donner (1918-1992) de, eveneens gereformeerde, H.J. van Eikema Hommes (1930-1984) en de rooms-katholieke P.W. Kamphuisen (1879-1961), die een bepaalde opvatting van natuurrecht aanhangt, passeren de revue. Wie meer wil weten over de filosofische opvattingen van toonaangevende vaderlandse juristen, doet er goed aan dit boek ter hand te nemen.

Noten:
1. De titel is voluit: Mr. C. Asser’s Handleiding tot de beoefening van het Nederlandsch Burgerlijk Recht, Algemeen Deel. De eerste druk verscheen in 1931 bij uitgevers-maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink in Zwolle. Het boek is nog steeds in de handel.